Epilepsie

Zie ook: Kinderepilepsie

Epilepsie is een chronische neurologische aandoening waarbij iemand herhaaldelijk epileptische aanvallen krijgt. Deze aanvallen worden veroorzaakt door plotselinge, abnormale elektrische activiteit in de hersenen. Naast deze aanvallen is er ook een belangrijke invloed op het cognitief, psychologische en sociale functioneren van een patiënt met epilepsie.

Eerste afspraak?

Komt u voor de eerste maal naar de consultatie epilepsie? Vul dan deze vragenlijst in (pdf).

Afspraken

Afspraken

Kinderneurologie

Epilepsie: kortsluiting in de hersenen

Om te begrijpen wat epilepsie is, moeten we inzicht hebben in de werking van onze hersenen. Alles wat we doen en denken wordt gestuurd door miljarden hersencellen of neuronen. Onze hersenen bestaan uit grijze stof (hersenschors of cortex) en uit witte stof (axonen en dendrieten). De grijze stof bevat de lichamen van zenuwcellen die verschillende soorten van informatie verwerken. In de witte stof zitten de uitlopers van deze zenuwcellen die samen de zenuwbanen vormen en verantwoordelijk zijn voor het doorsturen van informatie.

Een zenuwcel

De zenuwcellen zijn eigenlijk elektrische cellen: om boodschappen door te geven aan andere cellen en organen, vinden er elektrische ontladingen plaats en komen er chemische stoffen vrij. Wanneer je bijvoorbeeld je been wilt bewegen, wordt de prikkel vanuit de hersenen doorgegeven aan de juiste spieren in het been. 

Bij een epileptische aanval spreken we van een ‘kortsluiting’: er vindt plotseling een abnormale ontlading plaats in een groep zenuwcellen in de hersenen, wat bij de persoon een ongewenst effect veroorzaakt. Dit kan in een relatief klein gebied in de hersenschors zijn, dit noemen we dan focale aanvallen, maar kan ook beiden hersenhelften omvatten en dan spreken we van gegeneraliseerde aanvallen. Een epileptische aanval zorgt voor een tijdelijke verandering in de waarneming, het gedrag of het bewustzijn, waarop we geen controle hebben. Hoe dat precies tot uiting komt, is afhankelijk van de plaats waar de abnormale ontladingen ontstaan in de hersenen. Er zijn verschillende aanvalstypes: iemand kan verstijven,  een verkramping krijgen van de hand, een vreemde geur ruiken, even afwezig zijn, enzovoort. Sommige patiënten hebben maar één soort aanval, maar anderen kunnen twee of meer soorten aanvallen hebben.

We spreken pas van de ziekte epilepsie wanneer iemand aan terugkerende en niet-uitgelokte epileptische aanvallen lijdt. Een aanval kan namelijk ook uitgelokt worden door andere oorzaken, zoals hersentrauma, onttrekking van alcohol en/of drugs, koorts of medicatie. We spreken ook van epilepsie wanneer artsen vaststellen dat de patiënt een hoog risico heeft op terugkerende aanvallen of wanneer na een eerste aanval een diagnose van een epileptisch syndroom gesteld wordt.  Bij ongeveer twee derde van de kinderen met epilepsie kunnen de aanvallen goed worden gecontroleerd met medicatie. Bij ongeveer een derde lukt dit helaas niet en blijven ondanks de behandeling toch aanvallen optreden, dit noemen we therapieresistente of refractaire epilepsie. Voor deze patiënten zijn er andere therapeutische opties beschikbaar.

Soorten aanvallen

Het herkennen en onderscheiden van het type aanval is belangrijk voor de keuze van de anti-epileptische medicatie.

De aanvalsclassificatie is in de loop der jaren veranderd, in een poging om nieuwe kennis te integreren en rekening te houden met de vereisten van verschillende klinische settingen. De huidige classificatie bestaat sinds april 2025 en bevat drie hoofdtypen van aanvallen: generaliseerde aanvallen, focale aanvallen en onbekende aanvallen.

Gegeneraliseerde aanvallen

Gegeneraliseerde aanvallen beginnen verspreid over beide hersenhelften. Per definitie is er een bewustzijnsdaling bij alle gegeneraliseerde aanvallen, waarbij de patiënt zich niet herinnert wat er tijdens de aanval gebeurde.

Er zijn verschillende soorten gegeneraliseerde aanvallen:

Een plotselinge en korte bewustzijnsdaling, meestal minder dan 30 seconden. Deze aanvallen kunnen meerdere keren per dag optreden en gaan soms gepaard met lichte bewegingen van de ogen of de handen.  

Een korte, plotselinge samentrekking van bijna alle spieren.

Een plotselinge verstijving van de spieren, gepaard met verlies van het bewustzijn.

Herhaalde, ritmische schokken van spieren in armen en benen.

Een plotseling verlies van bewustzijn gepaard met verstijving van alle spieren (ook de ademhalings- en kaakspieren), gevolgd door schokkende bewegingen. Er kan ook sprake zijn van urneverlies en een schuimende mond, maar dit is niet altijd het geval.

Plotselinge verslapping van de spieren, waardoor de persoon kan neervallen als hij staat.

Focale aanvallen

Een focale aanval begint in één deel van de hersenen. Bij dit type aanval is er niet altijd sprake van bewustzijnsverlies. Soms blijft een patiënt bewust en helder, maar soms kan er ook een daling of verlies van het bewustzijn of de gewaarwording zijn.

Er zijn drie soorten focale aanvallen:

Bij deze aanval blijft de patiënt bij bewustzijn en is zich ervan bewust dat hij een aanval krijgt. De verschijnselen kunnen variëren, afhankelijk van het hersendeel waar de aanval begint. 

  • Motorische aanvallen: plotselinge trekkingen of schokken van spieren
  • Sensorische aanvallen: plotselinge gewaarwordingen, zoals iets voelen (tintelingen), zien (lichtflitsen, kleuren), horen, ruiken of proeven
  • Autonome aanvallen: lichamelijke reacties zoals bleek of rood worden, zweten, kippenvel, hartkloppingen, enzovoort.
  • Emotionele aanvallen: gevoelens zoals angst, een vreemd gevoel, verstoord tijdsbesef of déjà vu. 

Bij baby's, peuters en kinderen met taalproblemen is het vaak moeilijk om deze aanvallen te herkennen. Ze uiten zich meestal via veranderingen in gedrag of in de manier waarop het kind kijkt.

Bij dit soort aanval is er sprake van een daling of verlies van het bewustzijn of de gewaarwording. Een focale aanval met intacte gewaarwording kan overgaan in een focale aanval met verminderde gewaarwording. Ook focale aanvallen met verminderde gewaarwording kunnen zich op verschillende manieren uiten, afhankelijk van het betrokken gebied in de hersenen. De volgende symptomen kunnen voorkomen:

  • geen reactie wanneer de patiënt wordt aangesproken
  • geen reactie op pijnprikkels
  • de patiënt herkent geen mensen
  • onbewust uitvoeren van automatische handelingen (bv. handen wrijven, wriemelen, rondlopen)
  • een starende blik
  • vreemde bewegingen met het gezicht (grimassen, smakken, slikken)
  • steeds hetzelfde herhalen
  • schreeuwen
  • fietsende bewegingen met beide benen
  • een arm die verstijft

Deze aanvallen beginnen als een focale aanval met intacte of verminderde gewaarwording. De plaatselijke kortsluiting in de hersenen breidt zich echter uit naar bilaterale, verspreide netwerken. Tijdens een focaal naar bilateraal tonisch-clonische aanval is de patiënt bewusteloos en maakt hij schokkende bewegingen. Dit wordt ook wel een ‘grand mal’ of grote aanval genoemd. Het is dit soort aanval die de mensen vaak herkennen als epilepsie.

Onbekend (focaal of gegeneraliseerd)

Epileptische aanvallen met onbekende aanvang worden geclassificeerd als aanvallen waarbij onvoldoende klinische of EEG‑informatie beschikbaar is om vast te stellen of ze focale of gegeneraliseerde oorsprong hebben.

Uitlokkende factoren

Om de diagnose epilepsie te bevestigen, moeten de aanvallen terugkerend zijn en niet acuut uitgelokt worden. Bij patiënten met epilepsie kunnen echter verschillende factoren bijdragen aan het vaker voorkomen van aanvallen. Sommige kinderen krijgen bijvoorbeeld meer aanvallen tijdens periodes van stress, zoals bij ziekte, koorts, examens of slaapgebrek. Ook andere factoren, zoals overmatig alcoholgebruik en de menstruatiecyclus, kunnen invloed hebben.

Daarnaast kunnen bij sommige patiënten bepaalde prikkels zoals hitte, flitsende lichten, geluiden met specifieke frequenties of andere sensorische stimuli aanvallen uitlokken. Deze vorm van epilepsie wordt reflexepilepsie5 genoemd.

Het is belangrijk te beseffen dat deze uitlokkende factoren niet de oorzaak zijn van de epilepsie, maar slechts triggers om de aanvallen uit te lokken. Het herkennen van uitlokkende factoren bij een individueel kind is belangrijk voor de therapie. 

Het herkennen van uitlokkende factoren bij een individueel kind is belangrijk voor de therapie. Daarom adviseren we bij alle kinderen met epilepsie onder andere een gezonde levensstijl, met voldoende nachtrust, een juiste behandeling van koorts en een regelmatige dagindeling. Alleen wanneer is vastgesteld dat de epilepsie fotogevoelig is, wordt samen met het kind en de ouders een beleid rondom tv-kijken en videospelletjes besproken.

Wat te doen als iemand een epilepsieaanval krijgt?

Oorzaken

De taak van het klinisch team bestaat erin om het type aanvallen zo goed mogelijk te klasseren, alsook om op zoek te gaan naar een mogelijke onderliggende oorzaak van de epilepsie. Deze fase in de diagnose is erg belangrijk, omdat het enerzijds de optimale behandeling bepaalt en anderzijds ook veel informatie geeft over de prognose van de epilepsie. 

Het onderzoek naar de oorzaak is soms eenvoudig, maar bij sommige patiënten kan dit jaren duren. 

Aangeboren of verworven hersenaandoeningen of genetische en polygenetische afwijkingen kunnen een rol spelen in het ontstaan van epilepsie, en soms zijn ze onderling met elkaar verbonden. We kunnen de oorzaken van epilepsie samenvatten in verschillende groepen: 

Deze oorzaak is gerelateerd aan een defect in één of meerdere genen, waarbij aanvallen meestal slechts één van de verschillende ziektemanifestaties zijn. Belangrijk om te weten is dat genetisch niet altijd betekent dat iets van ouders wordt doorgegeven (erfelijk). Soms ontstaat een verandering in het erfelijk materiaal pas na de conceptie. Dit betekent dat de ouders geen mutatie hebben die de ziekte kan veroorzaken. Bijna dagelijks komen er nieuwe genen aan het licht die gerelateerd zijn aan epilepsie.

Deze oorzaak heeft te maken met een afwijking of beschadiging in de hersenen, die aangeboren kan zijn of later ontstaat, bijvoorbeeld door een hersentumor, een ongeval met hersenschade of zuurstoftekort bij de geboorte. Deze letsels zijn meestal zichtbaar op een hersenscan (MRI).

Wereldwijd komt epilepsie het vaakst voor als gevolg van een infectie. Dit is echter niet het geval in België en West-Europa. Bij deze oorzaak kunnen aanvallen optreden als gevolg van een infectie met bepaalde virussen, bacteriën, parasieten of schimmels. Bekende voorbeelden zijn tuberculose, HIV, cerebrale malaria, de infectie met varkenslintworm en aangeboren infecties zoals het Zika-virus en cytomegalovirus.

Bij sommige patiënten met een stofwisselingstoornis kunnen er aanvallen optreden die rechtstreeks het gevolg van de stoornis zijn.

Dit type epilepsie is het directe gevolg van een defect in het immuunsysteem, waarbij aanvallen een kernsymptoom zijn. Bij deze immuunstoornissen verwarren de cellen die normaal het lichaam beschermen tegen infecties, de hersenen met schadelijke micro-organismen of lichaamsvreemde stoffen en vallen ze deze aan.

Soms is de oorzaak van epilepsie bij een patiënt nog niet bekend. Wanneer er nieuwe informatie beschikbaar komt uit tests en de klinische ontwikkeling, kan de arts opnieuw beoordelen of de oorzaak van de epilepsie geclassificeerd kan worden. 

Onderzoeken en diagnose

Bij (vermoeden van) epilepsie voeren we een of meerdere onderzoeken uit.

Behandeling

U vindt hier een aantal mogelijke behandelingen voor epilepsie. Na de diagnose kiest uw arts, samen met u en de andere artsen van het team, de beste oplossing voor u. Uw behandeling kan dus afwijken van de hieronder voorgestelde therapie(ën).

Brochures

Specialisten

Laatste aanpassing: 10 februari 2026