Gedrag en emoties veranderen terwijl kinderen groeien, en wat je ziet hangt sterk af van de leeftijd en het ontwikkelingsniveau of de mentale leeftijd van je kind. Daarom is het noodzakelijk om uitingen van gedrag en emoties steeds vanuit het perspectief van de ontwikkeling te bekijken.
Alle kinderen krijgen tijdens hun ontwikkeling te maken met verschillende uitdagingen die soms tot moeilijkheden kunnen leiden, ongeacht of ze epilepsie hebben of niet. Dit kan gerelateerd zijn aan het temperament van je kind, cognitieve kwetsbaarheden, slaap, sociale factoren, enzovoort. Daarnaast kunnen omgevingsfactoren zoals gezinsdynamiek, schooldruk of ingrijpende gebeurtenissen ook invloed uitoefenen op de sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is daarom belangrijk om oog te houden voor het geheel aan invloeden dat het gedrag van een kind kan verklaren of beïnvloeden.
Gedrags- en emotionele problemen
Omdat het controleren van gedrag en emoties ook een functie is van de hersenen, kan epilepsie ook invloed hebben op deze gebieden. Gedragsproblemen zoals onoplettendheid, prikkelbaarheid, verhoogde opwinding, negativiteit en woede-uitbarstingen komen bij kinderen met epilepsie dan ook regelmatig voor. Deze gedragingen kunnen het directe gevolg zijn van neurologische factoren, zoals een aanval afkomstig uit de emotionele controlecentra van de hersenen, maar ook een indirecte uiting zijn van onderliggende angst, somberheid of stress.
Emotionele moeilijkheden, zoals angstige of neerslachtige gevoelens, kunnen op hun beurt verband houden met structurele afwijkingen in het brein of met herhaalde aanvallen die de werking van emotie- en stemmingsregulerende gebieden beïnvloeden. Daarnaast kunnen ze ontstaan door de psychosociale belasting van de aandoening zelf, zoals zorgen over de ziekte, het onvoorspelbare karakter van aanvallen of het verlies van controle over het eigen lichaam. In sommige gevallen treden negatieve gevoelens zoals prikkelbaarheid, woede of angst ook tijdelijk op vlak vóór of tijdens een aanval, waarna ze meestal weer afnemen.
Bij sommige kinderen houden deze gevoelens langer aan. In bepaalde gevallen kan het gaan om een angststoornis of depressie. Dit komt iets vaker voor bij kinderen en jongeren met epilepsie dan bij leeftijdsgenoten zonder epilepsie. Bij vragen of zorgen kan het helpen om dit samen met het behandelteam te bespreken, zodat de juiste ondersteuning geboden kan worden.
Epilepsiemedicatie en gedrags- en emotionele problemen
Anti-epileptische medicatie kan gedragsveranderingen teweegbrengen, maar zijn bijna nooit rechtstreeks de oorzaak ervan. Wel kan de medicatie bijwerkingen met zich meebrengen, zoals concentratieproblemen, prikkelbaarheid, sterke emoties of druk gedrag. Dit is niet voor elk kind hetzelfde en hangt af van verschillende factoren zoals het type medicatie, de dosering en hoe iemand hierop reageert. Het is wel zo dat de impact groter is naargelang er meer medicatie moet gecombineerd worden. Een kind dat van nature met gedragsproblemen te maken krijgt, zal extra gevoelig zijn voor de impact van de medicatie op het gebied van gedrag.
Sociale problemen
Het is belangrijk dat kinderen sociale vaardigheden ontwikkelen. Deze vaardigheden zijn nodig om op een gepaste en positieve manier met andere kinderen en volwassenen om te gaan. Bij veel kinderen verloopt het aanleren van sociale vaardigheden vlot, maar sommige kinderen met epilepsie kunnen hierbij meer uitdagingen ervaren.
Dit kan enerzijds samenhangen met de zone waarin de epileptische activiteit plaatsvindt. Hierdoor kunnen kinderen problemen ondervinden met onder andere het lezen van gezichtsuitdrukkingen of inlevingsvermogen. Anderzijds vermijden kinderen met epilepsie soms sociale situaties uit angst om een aanval te krijgen of gepest te worden door anderen. Leerkrachten kunnen hierin een belangrijke rol spelen door klasgenoten te informeren over wat epilepsie is en hoe dit tot uiting komt bij het specifieke kind.
Daarnaast kunnen kinderen door het extra toezicht van volwassenen minder zelfstandigheid ervaren. Hoewel ouders en leerkrachten dit vaak doen vanuit goede bedoelingen, kan overbescherming de deelname aan leeftijdsgebonden activiteiten en de daarbij horende sociale leerervaringen beperken. Dit kan kinderen het gevoel geven dat ze anders zijn of dat de wereld onveilig is. Bovendien kunnen ze hierdoor te afhankelijk worden van volwassenen.
Omdat kinderen met epilepsie een verhoogd risico hebben op een vertraagde sociaal-emotionele ontwikkeling en zelfredzaamheid , is het belangrijk om hier voldoende aandacht voor te hebben en hen op een positieve manier te ondersteunen.
ADHD
Epileptische aanvallen komen vaker voor bij kinderen met ADHD, en anderzijds komt ADHD vaker voor bij kinderen met epilepsie. Veel kinderen en jongeren vertonen wel eens onaandachtig of druk gedrag. Bij kinderen met epilepsie komen ook vaker (subtiele) aandachtsproblemen voor, zelfs zonder dat ze ADHD hebben. Pas wanneer deze problemen duidelijk en ernstig genoeg zijn, kan gedacht worden aan ADHD.
ADHD is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis die zich kan uiten in onoplettendheid, hyperactiviteit en impulsiviteit. Deze symptomen leiden tot problemen of belemmeringen in het dagelijks leven, zoals thuis, op school of tijdens vrije tijd. Er zijn drie vormen van ADHD, waarvan aandachtsproblemen zonder hyperactiviteit (ADHD overwegend onaandachtig type) het meest voorkomt bij kinderen met epilepsie. In tegenstelling tot de algemene bevolking, waar ADHD vaker bij jongens voorkomt, is de verdeling tussen jongens en meisjes bij kinderen met epilepsie ongeveer gelijk. De relatie tussen ADHD en epilepsie is wederzijds, waarbij het hebben van de ene aandoening het risico op de andere vergroot. Vroege opsporing en behandeling van ADHD bij kinderen met epilepsie is belangrijk, omdat deze combinatie een negatieve invloed kan hebben op gedrag, leren en sociale ontwikkeling.
De educatieve en gedragsmatige ondersteuning die ingezet wordt voor kinderen met aandachtsproblemen (zonder epilepsie) is ook effectief voor kinderen mét epilepsie.
ADHD-medicatie en epilepsie
Het is niet bewezen dat ADHD-medicatie een negatief effect zou hebben op een goed gecontroleerde epilepsie. Als een kind met regelmatige epilepsieaanvallen start met ADHD-medicatie, is het echter goed om in het begin de frequentie en ernst van de aanvallen in de gaten te houden. Merk je wel een duidelijk verband tussen de medicatie enerzijds en de aanvallen anderzijds, kan het gebruik van de medicatie opnieuw geëvalueerd worden.
ASS
Autisme of een Autisme Spectrum Stoornis (ASS) en epilepsie komen vaak samen voor, zowel bij kinderen met een normale intellectuele ontwikkeling als bij kinderen met een verstandelijke beperking. Kinderen met ASS hebben een verhoogd risico op epilepsie, en omgekeerd wordt de diagnose ASS vaker gesteld bij kinderen met epilepsie. Daarnaast vertonen kinderen met epilepsie vaker (subtiele) gedragskenmerken die doen denken aan ASS, zoals een beperkter inlevingsvermogen, minder flexibiliteit in denken of een beperkter sociaal inzicht. Hierdoor kan het moeilijker zijn om aansluiting te vinden bij andere kinderen.
Het is nog niet duidelijk waarom epilepsie en ASS vaak samen voorkomen. De gelijktijdige aanwezigheid van ASS en epilepsie wordt waarschijnlijk veroorzaakt door onderliggende genetische en omgevingsfactoren die het risico op beide aandoeningen vergroten. In de behandeling van deze groep kinderen is het erg belangrijk om met beide aandoeningen rekening te houden. Zowel met prikkelgevoeligheid en stress, als met het feit dat stress een uitlokkende factor kan zijn voor epileptische aanvallen. Mogelijk ligt daarom de drempel voor een aanval lager bij deze kinderen.