Anne-Marie (49)

1 juni 2019

Ze heeft een leidinggevende functie in een groot bedrijf, maar hier is ze revalidant tussen de anderen. Twee maanden al, na eerst veertien dagen op intensieve zorg. Het moment van de hersenbloeding is op haar netvlies bevroren.

Anne-Marie: “Ik bracht mijn pony naar de wei en op dat moment voelde ik dat mijn lip begon te trillen en dat mijn arm tintelde en ongevoelig werd. Ik wist niet wat mij overkwam. Ik ben met veel moeite naar binnen gestrompeld: mijn dertienjarige zoon zag meteen dat er iets mis ging. Gelukkig bleef hij ijzig kalm. Ik kon nauwelijks nog praten en belde met de huisarts die uit mijn gebrabbel meteen begreep wat er aan de hand was. ‘Spoed!’, zei hij. ‘Nu meteen!’ Ik belde mijn zus: ‘Spoed!’, stamelde ik. Meer kon ik niet uitbrengen. Ze heeft me halsoverkop naar campus Gasthuisberg gebracht. Bloeddruk: 23 over 10. Ik was doodsbang. In het ziekenhuis hoorde ik een alarmcode omroepen en er kwamen wel zes artsen aanlopen. Ik dacht: o god, wat gebeurt er toch met mij? Infusen, spuitjes, allerlei toestellen, zo angstaanjagend. Ik dacht de hele tijd aan mijn zoon. Ik ben gescheiden en leef alleen met hem. Ik zag mijn wereld instorten, hoe moet het verder met hem als ik er niet meer zal zijn? Ik was heel erg in paniek, ik dacht: dit komt nooit meer goed. Wat een geluk dat ik mijn zus had! Je moet met een hersenbloeding binnen de drie uur in het ziekenhuis zijn, anders verminderen de genezingskansen en kan het zelfs fataal zijn (toont een tekst op haar smartphone). Hier staat waaraan je een beroerte herkent en wat je dan meteen moet doen: scheve mond, moeilijk praten, tintelingen, onmiddellijk naar het ziekenhuis. Ik heb dit met vrienden en familie gedeeld. Het kan levens redden. Ik zie hier dagelijks wat een beroerte kan aanrichten.”

Heb je hier in het ziekenhuis vrienden gemaakt?

Anne-Marie: “We vormen een hechte gemeenschap. Zeker met de vrouw die bij mij op de kamer verblijft, maar ook tijdens de therapieën praten mensen veel met elkaar. Je wil weten hoe de anderen er met omgaan. We steunen mekaar als we het niet meer zien zitten. Dat laatste overkomt iedereen.”
“Vooral in het begin heb ik heel veel gehuild, ik was heel boos. Boos op de wereld. Waarom ik? Waarom overkomt dit mij? Maar ik weet nu: daar is geen antwoord op. Als je hier een tijd verblijft, besef je dat je moet leren loslaten, leren rustiger omgaan met allerlei dingen, wat vaker afstand moet nemen, relativeren. Niet iedere patiënt kan dat. Er zijn er die boos blijven op de wereld. Soms kunnen ze nog lopen, terwijl anderen in een rolstoel zitten. Dat is eigenlijk een cadeau, en toch willen ze dat niet zien. En daardoor genezen ze minder snel. Let wel, ik ben ook nog niet genezen. Mijn brein werkt terug zoals het hoort, maar ik heb nog altijd tintelingen en een kant die niet goed meewil.”


Want niet iedereen wordt hier meteen beter.
Anne-Marie
: “Ik heb ook vaak in een dip gezeten, maar ik ben nu eenmaal een koppig mens. Ik ben een alleenstaande moeder en ik moet verder in het leven. Ik wil doorgaan. Het is soms zo moeilijk om anderen daarvan te overtuigen. Ik zeg dan: het duurt soms wel twee jaar voor je hersteld bent, je moet geduld hebben. Maar dat is gemakkelijk gezegd. Ze hebben hier uitstekende therapeuten, maar tenslotte moet je het zelf doen.”

Wat is je beroep?
Anne-Marie:
“Ik ben business unit manager, verantwoordelijk voor een team in mijn bedrijf. Ik wil die functie terug oppikken. Mijn therapie wordt erop afgestemd, zodat mijn hersenen het terug aankunnen om te organiseren en problemen op te lossen. Het is onwaarschijnlijk wat menselijke hersenen aankunnen en hoe hersenen zichzelf kunnen herstellen.”

Ben je veranderd sinds je ongeval?

Anne-Marie: “Absoluut. Vroeger werkte ik zeven dagen op zeven, in zevende versnelling, altijd en overal bereikbaar. Maar nu besef ik hoe in de wereld alles draait rond presteren. Overal, in de school van mijn zoon, op mijn werk, zelfs hier in het revalidatiecentrum. Zo was ik ook. Vanaf nu wil ik dat loslaten en meer aan mezelf denken. Minder gejaagd leven, alles moet niet binnen een mum van tijd opgelost zijn. Misschien kan het wat trager en is dat evengoed een oplossing. Ik ga dus even hard werken als voorheen, maar anders. Tijdig voorkomen dat mensen om je heen het niet meer zien zitten en een burn-out oplopen. Ik ga mijn team helemaal anders leiden. Als het niet gaat, gaat het niet. Vroeger dacht ik: je wordt betaald om je job te doen, doe dan je job! Nu denk ik: het is belangrijk dat je die job met plezier doet. Wat voor zin heeft het om mensen te pushen tot ze niet meer kunnen? Het bedrijf moet blijven draaien, natuurlijk, maar je bereikt meer met mensen die met plezier komen werken.”

Nu besef ik hoe in de wereld alles draait rond presteren

Wat zijn hier in Pellenberg de mooie momenten?
Anne-Marie:
“De mensen onder elkaar, de samenhorigheid. De therapeuten zeggen ook dat we op dat gebied een bijzondere lichting zijn. Ik geniet van de momenten aan tafel. Samen eten, onrust ventileren en toch niks hoeven uit te leggen: we zitten in hetzelfde bootje, we begrijpen en motiveren en steunen. Ook ’s avonds zitten we vaak tot laat te kletsen. Iedereen heeft iets dramatisch meegemaakt, maar je mag het niet lijdzaam aanzien, je moet samen knokken. Voor hetzelfde geld waren we dood geweest. Dat klinkt cru, maar zo is het. Ik ben zo dankbaar.”

Waarvoor ben je dan dankbaar?

Anne-Marie: “Ik ben gewoon blij dat het zo loopt. Ik ben niet gelovig en ik geloof ook niet in het noodlot. want ik heb dit geheel en al aan mezelf te danken. Te hard gewerkt, te veel stress toegelaten, daar heb ik zelf voor gekozen. En daarbovenop een zware echtscheiding. En ja, ik rookte veel, ook dat is nu gedaan. Natuurlijk had ik dit allemaal liever niet meegemaakt. Er zijn te veel essentiële dingen die nog niet lukken. Ik wil mijn gevoel helemaal terug. En ik wil mijn rijbewijs opnieuw halen. Maar de stap die ik nu ga zetten als gevolg van wat ik doormaak, is een pluspunt. Ik was er al mee bezig, maar ik zou nooit in dezelfde mate gas teruggenomen hebben.”

En wat zijn de moeilijke momenten?
Anne-Marie:
“De testen, het eeuwige testen. Ze noemen bijvoorbeeld vijftien voorwerpen op en die moet je herhalen om je geheugen te testen. Dat is best confronterend, want je ziet meteen wat je niet meer kan. Onlangs moest ik een klok tekenen waarop het tien voor twaalf is! Ik zei dat ik dat maar kinderachtig vond, maar de therapeute liet me de klok zien die ik een tijd geleden bij dezelfde test had getekend: een halve klok en de wijzers stonden op twintig voor twee. Dat is eng.”

Hoe is dat, leven met twee of meer op een kamer?
Anne-Marie:
“Eerst sliepen we met drie op een kamer. Gesnurk. Gesnurk! Zelfs oordopjes hielpen niet, ik deed gewoon geen oog dicht. Daarna ben ik verhuisd naar een kamer met één leuke kamergenote. Maar privacy heb je niet en dat gedurende een lange tijd. Sommige mensen hebben ook ’s nachts intense medische hulp nodig.”

Hoe ging het ondertussen met je zoon?
Anne-Marie: “
Mijn 83-jarige moeder besliste prompt om te komen inwonen om voor de jongen mijn zoon te zorgen, dat was een oneindige geruststelling. Anders kon hij niet thuis blijven wonen. Mijn zoon heeft het er niet gemakkelijk mee, eerst de echtscheiding en nu dit. Maar hij houdt zich kranig.”

Vind je echt dat je geluk had?
Anne-Marie:
“Zeker en vast. Ik kom er ook cognitief goed vanaf. Er zijn hier mensen die hun naam vergeten zijn. Die de weg naar hun kamer niet terugvinden. Een universiteitsprofessor was zijn talen kwijt: geen Engels, geen Frans, zelfs zijn eigen taal sprak hij niet meer, alleen nog het dialect van zijn moeder. Hij heeft hier terug leren spreken. Zo zie je maar tot wat een brein in staat is.”

Wat neem je mee naar huis?
Anne-Marie:
“Ik ben van plan om ook na mijn verblijf contact te houden met patiënten, eventueel via facebookgroepjes. Ik wil weten hoe het verdergaat met sommige medepatiënten. Je hebt bijvoorbeeld Andrew, die een zwaar motorongeluk had. Alles in zijn lichaam is gebroken en door de crash kreeg hij ook een hersenbloeding. Hij zit in een rolstoel, maar hoe die jongen vecht en vooruitgaat, man man! Ik heb zo’n respect voor hem. Aan zo iemand kan ik me optrekken.”

Bang dat het je nog eens overkomt?

Anne-Marie: “Eigenlijk wel, want ze weten niet wat de oorzaak is. Maak ik meer kans dan andere mensen op hervallen? Daar kunnen ze me niet op antwoorden. Ik heb die hersenbloeding ook niet gekregen op bijvoorbeeld een moment van extreme stress. Ik kwam terug van de kapper en ging de wei in, ik was heel relaxed. Er zijn er die het in hun slaap krijgen. En er zijn ook geen echte voortekens waardoor je op je hoede bent. Geen signalen. Je voelt het niet aankomen. Nee, pats, pijn, het overvalt je. En kom ik dan er even goed uit als nu? De angst blijft. Geen mens die het kan zeggen. Hier zeggen ze dat ze geen glazen bol hebben. Ik heb die helaas ook niet.”

(Tekst: Jan Van Rompaey)

Ons ziekenhuis is een dorp in de stad. Jan Van Rompaey trok naar het revalidatiecentrum van campus Pellenberg. Op zoek naar gewone en bijzondere verhalen van mensen die hier verblijven.

Laatste aanpassing: 21 juni 2021