In het UZ Leuven gebruiken we een standaardmethode, genaamd Sanger sequencing, om te kijken of het HIV-virus resistent is tegen medicijnen en om te bepalen welk type HIV iemand heeft. Deze methode werkt goed, maar heeft ook beperkingen. Ze bekijkt niet het volledige genetisch materiaal van het virus, waardoor we soms belangrijke informatie missen. Bijvoorbeeld veranderingen (mutaties) die te maken hebben met nieuwe medicijnen die het virus proberen te stoppen bij het aanhechten aan cellen of bij het rijpingsproces. Ook is het moeilijk om zeldzame varianten van het virus op te sporen met deze methode.
Doelstellingen:
Met dit onderzoek willen we een nieuwe en betere methode ontwikkelen: next-generation sequencing (NGS). Deze techniek laat ons toe om bijna het volledige HIV-genetisch materiaal te bekijken. We gaan dit doen op twee manieren:
- via het vrije virus in het bloed (RNA)
- via het virus in de geïnfecteerde cellen (DNA)
De DNA aanpak wordt steeds belangrijker, vooral bij mensen die van behandeling veranderen terwijl er geen meetbare hoeveelheid virus in hun bloed is. Bijvoorbeeld als ze wisselen van medicatie door bijwerkingen, interacties met andere medicijnen, of om het schema eenvoudiger te maken.
Daarnaast kan deze nieuwe methode ons helpen om:
- beter te begrijpen hoe HIV zich verspreidt in de samenleving
- recente infecties beter te herkennen
In deze studie gaan we dus:
- een nieuwe laboratoriumtest ontwikkelen en verbeteren die bijna het volledige HIV-genoom kan analyseren
- twee technologieën vergelijken om genetische informatie uit te lezen: Illumina en Oxford Nanopore Technologies
- verschillende computerprogramma’s testen om de gegevens te analyseren en te bepalen welke werkwijze het beste is
In België is het standaardprocedure om het HIV subtype te bepalen bij mensen die voor het eerst gediagnosticeerd worden. Er is recentelijk veel aandacht voor een specifiek subtype, genaamd HIV-1 sub-subtype A6, omdat het mogelijks niet goed reageert op bepaalde medicijnen. We hebben bovendien opgemerkt dat dit HIV subtype de laatste jaren vaker in België voorkomt. Omdat dit HIV subtype veel waargenomen wordt in Oost-Europa zou de toename van vluchtelingen uit Oekraïne hiervoor aan de basis kunnen liggen.
Doelstellingen:
- Met dit onderzoek willen we nagaan hoe vaak we HIV-1 sub-subtype A6 in de jaren 2013 t.e.m. 2022 in België waargenomen hebben en hoe we de stijging in prevalentie kunnen verklaren.
- We zullen eveneens de resistentie van HIV-1 sub-subtype A6 tegen bepaalde medicijnen onderzoeken.
In UZ Leuven gebruiken we een standaardmethode, Sanger sequencing, om na te gaan of HIV resistent is tegen bepaalde medicijnen. Met dezelfde methode kunnen we ook bepalen welk HIV subtype of welke recombinante vorm (een mengeling van subtypes) iemand heeft. Tot nu toe was die informatie vooral belangrijk om de epidemie als geheel te volgen, maar niet echt nodig voor de individuele opvolging van patiënten. Daarom werd subtypering niet standaard uitgevoerd in de dagelijkse zorg. Onlangs is echter gebleken dat een bepaald subtype een groter risico geeft op falen van een specifieke behandeling. Hierdoor is de kennis van subtypes ook voor de zorg van de individuele patiënt belangrijker geworden. Sanger sequencing werkt goed, maar heeft ook beperkingen: het leest niet het volledige genetisch materiaal van het virus, waardoor we soms informatie missen die nodig is om een subtype of recombinante vorm correct te bepalen.
Doelstellingen:
- Met dit onderzoek willen we alle Sanger-sequenties die we in het verleden bepaald hebben, opnieuw subtyperen en deze informatie bewaren in onze klinische databank. Zo zijn deze gegevens beschikbaar wanneer we in de toekomst therapie-advies moeten geven.
- Daarvoor gaan we verschillende computerprogramma’s testen en bekijken welke aanpak het meest geschikt is.
- We vergelijken dit ook met een methode die wél het volledige genetisch materiaal van het virus in kaart brengt.
- Daarnaast willen we onderzoeken welke kenmerken van patiënten samenhangen met bepaalde subtypes of recombinante virussen, om hun betekenis voor de zorg beter te begrijpen.
HIV is een virus dat zonder behandeling ernstige ziekte kan veroorzaken. Gelukkig bestaan er medicijnen die het virus onderdrukken en ervoor zorgen dat mensen gezond blijven. Deze medicijnen werken ook om overdracht van HIV naar anderen te voorkomen.
Soms kan HIV minder gevoelig zijn voor bepaalde medicijnen. Dit noemen we resistentie. Resistentie kan ontstaan als iemand de medicijnen niet goed inneemt, maar ook doordat het virus al resistent was bij besmetting. Daarom testen we bij een nieuwe HIV diagnose altijd of het virus resistent is. Zo kiezen we meteen de beste behandeling. Ook bij preventieve pillen om HIV besmetting te voorkomen (PrEP en PEP) kan resistentie een rol spelen. Als het virus resistent is, werkt PrEP en PEP ook minder goed.
Doelstellingen:
- We willen kijken of er veranderingen zijn in het voorkomen van resistentie tegen verschillende klassen van HIV medicijnen (protease remmers, reverse transcriptase remmers en integrase remmers).
- We willen zien welke mutaties het meest worden doorgegeven en of dit verandert doorheen de jaren.
- We willen onderzoeken welke kenmerken van patiënten en virus samenhangen met resistentie en overdracht.
- We willen inschatten of de aanwezigheid van resistentie invloed heeft op de werkzaamheid van standaard behandelingen, PrEP en PEP.
Dit onderzoek zal ons dus helpen om ervoor te zorgen dat aanbevolen behandelingen werkzaam zijn en dat de verspreiding van resistent HIV zoveel mogelijk ingeperkt kan blijven.