Pathogenen
De dienst laboratoriumgeneeskunde fungeert als nationaal referentiecentrum voor de volgende pathogenen:
Projecten
Tussen 2020 en 2023 voerde het nationaal referentielaboratorium een grootschalige genomische surveillance uit om de evolutie van het SARS-CoV-2-virus in België op te volgen. Deze data bieden een historisch overzicht van de circulerende varianten tijdens de pandemie. Hoewel de actieve verslaglegging in 2023 is beëindigd, blijven de resultaten beschikbaar als referentiekader.
UZ Leuven voert kapseltypering en antimicrobiële gevoeligheidsbepaling uit op pneumokokken geïsoleerd uit de neuswissers. De resultaten worden vergeleken met dezelfde gegevens die bekomen worden voor invasieve pneumokokkenziekte (IPZ).
Deze studie wordt uitgevoerd in samenwerking met de Universiteit Antwerpen. Voor meer informatie: https://www.uantwerpen.be/nl/onderzoeksgroep/cev/vaccinstudies/lopende-studies/dragerschapstudie-pneumokokken/
UZ Leuven deelt gepseudonimiseerde gegevens over de epidemiologie van IPZ vanaf 2018. Deze gegevens worden verzameld in het kader van onze rol als NRC en zijn dus reeds beschikbaar. Hiernaast wordt ook een deel van de stammen opgestuurd voor een volledige bepaling van het bacterieel genoom.
Deze studie wordt uitgevoerd in samenwerking met het internationaal consortium IRIS. Voor meer informatie: https://pubmlst.org/projects/iris
Het bacterieel genoom wordt bepaald voor een selectie van S. pneumoniae stammen, voornamelijk in het kader van onverwachte stijgingen of trends voor (vaccin) serotypes zoals recent serotypes 4, 14, 19A en 24F. Gegevens rond antibiotica gevoeligheid en resistentie worden voor elke stam bepaald.
Deze studie wordt gesponsord door het TCMDRO-GENOME project in het geval van serotype 24F, en wordt uitgevoerd in samenwerking met RIVM (Nederland) en UKHSA (UK) voor serotype
UZ Leuven deelt geaggregeerde gegevens per jaar (2007-2022) die het model zullen voeden: aantal infecties per jaar, verdeling leeftijdscategorieën, verdeling serotypes, klinische diagnose en aanwezigheid antibiotica resistentie.
Deze studie wordt uitgevoerd in samenwerking met Universiteit Hasselt. Voor meer informatie: https://www.uhasselt.be/en/who-is-who/detail/niel-hens
UZ Leuven deelt een representatieve set van bacteriële stammen (verschillende serotypes, klinische diagnose, resistentieprofiel, …) om persistentie van de bacterie te onderzoeken. Naast deze stammen worden gepseudonimiseerde gegevens (zoals serotype, klinische diagnose, antimicrobiële gevoeligheid, uitkomst infectie, leeftijdscategorie en geslacht) gedeeld.
Deze studie wordt uitgevoerd in samenwerking met Universiteit Antwerpen. Voor meer informatie: https://www.uantwerpen.be/nl/personeel/paul-cos/onderzoek/
UZ Leuven voerde een volledige bacteriële genoomanalyse uit voor de serotype 4 stammen van de jaren 2021 en 2022. Daarnaast wordt de evolutie van serotype 4, een vaccin serotype, epidemiologisch in kaart gebracht tot 2024. Karakteristieken die de sterke stijging in het aantal infecties met dit serotype kunnen verklaren, worden onderzocht, alsook risicofactoren worden in kaart gebracht.
De multicentrische studie rond risicofactoren bij serotype 4 infecties wordt uitgevoerd in samenwerking met LHUB-ULB (CHU St Pierre, CHU Brugmann en Erasmus), Europa ziekenhuizen, Hôpital IRIS Sud, Ziekenhuis Aan de Stroom, CHC Clinique Mont Légia, CHU du Sart Tilman Liège, CHIREC, Grand Hôpital de Charleroi, Hôpital Civil Marie Curie Lodelinsart en CHR de la Citadelle Liège.
Contact
-
Voor vragen over de werking van de referentiecentra voor pathogenen en zeldzame ziekten kunt u contact opnemen met Lize Cuypers.
Zeldzame ziekten
De dienst laboratoriumgeneeskunde fungeert als nationaal referentielabo voor zeldzame ziekten:
- Totaal erythrocytair protoporfyrine (FEP-test)
- Spectrofluorimetrische dosering van plasma porfyrinen
Privacy en gegevensverwerking
Om onze rol als Nationaal Referentiecentrum (NRC) en Nationaal Referentielaboratorium (NRL) te vervullen, is het essentieel dat we stalen en gegevens van patiënten analyseren. Dit stelt ons in staat om de verspreiding van infecties en aandoeningen in België op te volgen en wetenschappelijk onderzoek te voeren voor een betere volksgezondheid.
De verwerking van deze gegevens gebeurt altijd met het grootste respect voor uw privacy en in volledige overeenstemming met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Welke gegevens verwerken we?
De laboratoria en ziekenhuizen die stalen naar ons opsturen, bezorgen ons de nodige contextinformatie. Dit omvat:
- Persoonsgegevens: zoals geslacht, leeftijd en postcode.
- Medische gegevens: zoals het type staal, de klinische diagnose, vaccinatiestatus of de gevolgde therapie.
Hoe garanderen we de bescherming van uw gegevens?
We nemen strikte maatregelen om uw privacy te waarborgen:
- Delen van gegevens: Voor rapportage aan overheidsinstanties (zoals Sciensano) of voor wetenschappelijk onderzoek worden gegevens enkel in geaggregeerde, anonieme of gepseudonimiseerde vorm gedeeld. Dit betekent dat de informatie niet direct naar u als persoon herleidbaar is.
- Toezicht: Elke overdracht van gegevens wordt vooraf goedgekeurd door de Data Protection Board van UZ Leuven. Wetenschappelijk onderzoek wordt bovendien voorgelegd aan de Ethische Commissie.
- Transparantie: U kunt het algemene privacyreglement van UZ Leuven raadplegen voor meer details.
Contact
-
Lize Cuypers
HIV/aids
Dienst laboratoriumgeneeskunde fungeert als AIDS referentielaboratorium (ARL) voor het humaan immunodeficiëntievirus. Als AIDS Referentielaboratorium staan wij in voor het testen en opvolgen van patiënten met een hiv-infectie. De gegevens en medische stalen die we in dit kader verzamelen, zijn cruciaal voor verschillende doeleinden.
In UZ Leuven worden patiënten met een HIV-infectie getest, opgevolgd en/of behandeld. In het kader van deze zorg worden gegevens over deze personen en hun ziektebeeld, evenals medische stalen, verzameld en verwerkt.
Deze gegevens en stalen zijn essentieel om de kwaliteit van onze laboratoriumtests en zorgpraktijken te beoordelen en te verbeteren. Ze leveren bovendien belangrijke inzichten op over de verspreiding van HIV, risicofactoren voor HIV, het ziekteverloop en de effectiviteit van preventieve en therapeutische behandelingen.
Doorbraken in wetenschappelijk onderzoek dragen niet alleen bij aan de eigen zorg van de betrokken patiënt, maar ook aan die van andere patiënten binnen en buiten ons ziekenhuis.
Als referentielaboratorium of -centrum is UZ Leuven wettelijk verplicht om gegevens te delen met Sciensano, de Belgische instelling voor volksgezondheid.
Daarnaast werkt UZ Leuven soms samen met academische en industriële partners voor wetenschappelijk onderzoek. Tijdens de verwerking van deze gegevens houdt UZ Leuven zich aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Al het wetenschappelijk onderzoek wordt getoetst aan wettelijke en ethische normen, en de gegevensverwerking en -uitwisseling gebeuren via beveiligde systemen. Hierbij worden de gegevens op een zodanige manier gecodeerd dat personen nooit direct geïdentificeerd kunnen worden.
Jaarlijks stelt Sciensano op basis van deze gegevens een rapport op over de stand van HIV in België. Dit rapport wordt gedeeld met regionale en federale ministeries van Volksgezondheid en met het Europees Centrum voor Ziektepreventie en -bestrijding (ECDC). Zo beschikken de bevoegde autoriteiten over actuele en nauwkeurige informatie om een effectieve HIV-aanpak te ontwikkelen.
Meer informatie?
Projecten
In het UZ Leuven gebruiken we een standaardmethode, genaamd Sanger sequencing, om te kijken of het HIV-virus resistent is tegen medicijnen en om te bepalen welk type HIV iemand heeft. Deze methode werkt goed, maar heeft ook beperkingen. Ze bekijkt niet het volledige genetisch materiaal van het virus, waardoor we soms belangrijke informatie missen. Bijvoorbeeld veranderingen (mutaties) die te maken hebben met nieuwe medicijnen die het virus proberen te stoppen bij het aanhechten aan cellen of bij het rijpingsproces. Ook is het moeilijk om zeldzame varianten van het virus op te sporen met deze methode.
Doelstellingen:
Met dit onderzoek willen we een nieuwe en betere methode ontwikkelen: next-generation sequencing (NGS). Deze techniek laat ons toe om bijna het volledige HIV-genetisch materiaal te bekijken. We gaan dit doen op twee manieren:
- via het vrije virus in het bloed (RNA)
- via het virus in de geïnfecteerde cellen (DNA)
De DNA aanpak wordt steeds belangrijker, vooral bij mensen die van behandeling veranderen terwijl er geen meetbare hoeveelheid virus in hun bloed is. Bijvoorbeeld als ze wisselen van medicatie door bijwerkingen, interacties met andere medicijnen, of om het schema eenvoudiger te maken.
Daarnaast kan deze nieuwe methode ons helpen om:
- beter te begrijpen hoe HIV zich verspreidt in de samenleving
- recente infecties beter te herkennen
In deze studie gaan we dus:
- een nieuwe laboratoriumtest ontwikkelen en verbeteren die bijna het volledige HIV-genoom kan analyseren
- twee technologieën vergelijken om genetische informatie uit te lezen: Illumina en Oxford Nanopore Technologies
- verschillende computerprogramma’s testen om de gegevens te analyseren en te bepalen welke werkwijze het beste is
In België is het standaardprocedure om het HIV subtype te bepalen bij mensen die voor het eerst gediagnosticeerd worden. Er is recentelijk veel aandacht voor een specifiek subtype, genaamd HIV-1 sub-subtype A6, omdat het mogelijks niet goed reageert op bepaalde medicijnen. We hebben bovendien opgemerkt dat dit HIV subtype de laatste jaren vaker in België voorkomt. Omdat dit HIV subtype veel waargenomen wordt in Oost-Europa zou de toename van vluchtelingen uit Oekraïne hiervoor aan de basis kunnen liggen.
Doelstellingen:
- Met dit onderzoek willen we nagaan hoe vaak we HIV-1 sub-subtype A6 in de jaren 2013 t.e.m. 2022 in België waargenomen hebben en hoe we de stijging in prevalentie kunnen verklaren.
- We zullen eveneens de resistentie van HIV-1 sub-subtype A6 tegen bepaalde medicijnen onderzoeken.
In UZ Leuven gebruiken we een standaardmethode, Sanger sequencing, om na te gaan of HIV resistent is tegen bepaalde medicijnen. Met dezelfde methode kunnen we ook bepalen welk HIV subtype of welke recombinante vorm (een mengeling van subtypes) iemand heeft. Tot nu toe was die informatie vooral belangrijk om de epidemie als geheel te volgen, maar niet echt nodig voor de individuele opvolging van patiënten. Daarom werd subtypering niet standaard uitgevoerd in de dagelijkse zorg. Onlangs is echter gebleken dat een bepaald subtype een groter risico geeft op falen van een specifieke behandeling. Hierdoor is de kennis van subtypes ook voor de zorg van de individuele patiënt belangrijker geworden. Sanger sequencing werkt goed, maar heeft ook beperkingen: het leest niet het volledige genetisch materiaal van het virus, waardoor we soms informatie missen die nodig is om een subtype of recombinante vorm correct te bepalen.
Doelstellingen:
- Met dit onderzoek willen we alle Sanger-sequenties die we in het verleden bepaald hebben, opnieuw subtyperen en deze informatie bewaren in onze klinische databank. Zo zijn deze gegevens beschikbaar wanneer we in de toekomst therapie-advies moeten geven.
- Daarvoor gaan we verschillende computerprogramma’s testen en bekijken welke aanpak het meest geschikt is.
- We vergelijken dit ook met een methode die wél het volledige genetisch materiaal van het virus in kaart brengt.
- Daarnaast willen we onderzoeken welke kenmerken van patiënten samenhangen met bepaalde subtypes of recombinante virussen, om hun betekenis voor de zorg beter te begrijpen.
HIV is een virus dat zonder behandeling ernstige ziekte kan veroorzaken. Gelukkig bestaan er medicijnen die het virus onderdrukken en ervoor zorgen dat mensen gezond blijven. Deze medicijnen werken ook om overdracht van HIV naar anderen te voorkomen.
Soms kan HIV minder gevoelig zijn voor bepaalde medicijnen. Dit noemen we resistentie. Resistentie kan ontstaan als iemand de medicijnen niet goed inneemt, maar ook doordat het virus al resistent was bij besmetting. Daarom testen we bij een nieuwe HIV diagnose altijd of het virus resistent is. Zo kiezen we meteen de beste behandeling. Ook bij preventieve pillen om HIV besmetting te voorkomen (PrEP en PEP) kan resistentie een rol spelen. Als het virus resistent is, werkt PrEP en PEP ook minder goed.
Doelstellingen:
- We willen kijken of er veranderingen zijn in het voorkomen van resistentie tegen verschillende klassen van HIV medicijnen (protease remmers, reverse transcriptase remmers en integrase remmers).
- We willen zien welke mutaties het meest worden doorgegeven en of dit verandert doorheen de jaren.
- We willen onderzoeken welke kenmerken van patiënten en virus samenhangen met resistentie en overdracht.
- We willen inschatten of de aanwezigheid van resistentie invloed heeft op de werkzaamheid van standaard behandelingen, PrEP en PEP.
Dit onderzoek zal ons dus helpen om ervoor te zorgen dat aanbevolen behandelingen werkzaam zijn en dat de verspreiding van resistent HIV zoveel mogelijk ingeperkt kan blijven.
Contact
-
Voor vragen over de werking van het ARL kunt u contact opnemen met Kristel Van Laethem.