Column Rudi Vranckx - "Ze heeft al honderden kinderen weten sterven"

1 maart 2019

Sommige beelden blijven door mijn hoofd spoken en branden me vooruit. Zo was het met Amal, een zevenjarig meisje van wie de foto een tijdje geleden in The New York Times prijkte. Amal, zeven jaar oud, uitgemergeld. Met grote koortsige ogen kijkt ze naar de camera. Haar naam, Amal, betekent hoop. Drie dagen nadat ze uit het ziekenhuis moest vertrekken, sterft het meisje. De plaats heet Aslam, een godvergeten oord in Jemen. Daar wil ik naartoe. Ik wil er dokter Makiya ontmoeten, die van honger stervende kindjes probeert te verzorgen.

Als ik vertrek, voel ik de onzekerheid, het is er tenslotte oorlog. Geraak ik wel ter plekke in het hongergebied? In mijn hoofd nestelt zich een moeheid die ik niet ken. Waarom doe ik dit nog? Elke nieuwe ellende die ik aantref, laat een vers litteken na. Op de sociale media regeert het cynisme, het raakt mijn ziel.

Oorlog kan je voeren met bommen en met honger

Maar zodra ik rondreis in de bergen van Jemen, zonder internet, voel ik me op een vreemde manier gezuiverd, gelukkig bijna: dit is wat ik doe en wie ik ben. Twee visa van oorlogvoerende regeringen had ik nodig, een valse verklaring voor de luchtvaartmaatschappij om een internationaal embargo te omzeilen en smoesjes om langs meer dan honderd checkpoints te glippen.

Het duurt vier volle dagen om vanuit mijn stad Leuven eindbestemming Aslam te bereiken. Twee dagen met het vliegtuig, twee dagen met de jeep. Waarom laat de wereld niet toe dat ik hier geraak? Wil men deze tragedie niet zien?

Ik rij de laatste drieduizend meter hoge bergketen over. Alles is hier van een rauwe schoonheid, alsof ik figureer in oude foto’s uit de tijd van Lawrence of Arabia. Alle mannen, zelfs jongens, dragen wapens, een kromdolk én een kalashnikov. “Regeren over Jemen is als dansen op de hoofden van duizenden slangen”, verklaarde de vorige dictator Saleh. Intussen is hij ook vermoord. Uiteindelijk winnen de slangen.

In het kleine plaatselijke gezondheidscentrum van Aslam tref ik dokter Makiya. Ze is klein en tenger. Ze lijkt wat op de hongerpatiëntjes die ze verzorgt. Maar ze heeft een inwendig vuur, aangewakkerd door compassie en verontwaardiging. Urenlang, zonder onderbreking, sleept ze me mee langs bedden met kindjes en hun hongerende moeders.

Dokter Makiya draagt ook haar pijn mee

Ze grijpt kindjes bijna onachtzaam vast als ze iets wil tonen, als ze haar punt wil bewijzen. “Kijk, vel over been, er zit geen leven in.” Bassem is zeven maanden oud en weegt drie kilogram, hij grijpt machteloos naar mijn vinger. Hepatitis, cholera, malaria en tbc waren in deze zalen rond. Tien jaar geleden trof ik in Bukavu, Congo, de toen nog onbekende dokter Mukwege aan tussen de door milities verminkte vrouwen. Hij kreeg zopas de Nobelprijs voor de Vrede. Het is dokter Makiya ook gegund.

Makiya laat zich meeslepen door haar boosheid. Toch klinkt ze niet verbitterd, ik ben maar een klankbord. “Waarom komt er geen echte hulp? Waarom zorgen ze niet voor proper water om de cholera te bestrijden en helpen ze ons niet het land te bebouwen voor voedsel? Waarom houden ze de dood die uit de lucht valt en ons land kapot maakt niet tegen?”

Jemen leert me een harde les. Oorlog kan je voeren met bommen en met honger. Je gooit bommen op bruggen, transportkonvooien, markten en kampen, zelfs op een schoolbus. Wat er overblijft, zijn vluchtelingen en vrouwen die bedelen voor een aalmoes om te overleven. Wat rest is honger. De schaarse hulpverleners die tot hier geraken, brengen pakketjes mee en hangen nog grotere spandoeken op als weldoener. Ze vertrekken. Wat achterblijft, zijn de spandoeken.

Dokter Makiya draagt ook haar pijn mee. Zowat een half jaar geleden moest ze Amal wegsturen, want haar gezondheidscentrum verzorgt enkel kindjes tot zes jaar. Amal was zeven. Makiya heeft al honderden kinderen weten sterven. Als laatste toont ze me op een bed, in de hoek van de kamer, Afaf. Het is een mooi meisje met goudkleurige oorbelletjes. Ze houdt een potje met geplette aardappelen vast, maar eet niet, totdat Makiya haar een lepeltje in de mond duwt. Ze is twaalf jaar en weegt elf kilogram. Afaf verblijft hier tegen de regels in. Als ze weggaat, sterft ze.

En dan wordt Makiya weer strijdbaar. Ze kijkt me aan: “Het lot van Bassem en Afaf ligt op jouw schouders, op de schouders van jullie wereld.” Ik ween in stilte, want niemand mag het zien. Steeds vaker merk ik die hevige emoties bij mezelf. Een teken van ouder worden of meer mens worden?

Rudi Vranckx woont in Leuven, maar zit veel vaker als VRT-journalist in oorlogsgebieden.
Hij zoekt altijd naar het verhaal achter de feiten.

Gerelateerd

Meer nieuws over "Rudi Vranckx"

Column Rudi Vranckx - "Venetië bezorgde ons het woord quarantaine"

1 oktober 2020
Lees meer
Laatste aanpassing: 22 juni 2021