Radiotherapie bij hoofd- en halskanker

Voor 70 tot 80 procent van de hoofd- en halskankerpatiënten is radiotherapie de eerste, soms zelfs enige stap. De meeste kankers in de keelholte en het strottenhoofd kunnen met radiotherapie behandeld worden, soms in combinatie met chemotherapie. Ook relatief kleine tumoren in andere zones komen vaak in aanmerking.

Radiotherapeuten gebruiken ioniserende stralen die de kankerceldeling proberen te stoppen of te vertragen. Ze richten de stralenbundel precies op de plaats van de tumor of, bijvoorbeeld na een chirurgische verwijdering, op de plaats waar die zich bevond.

De toegediende dosis en het bestralingsveld zijn altijd zodanig berekend dat de gezonde weefsels en organen zo weinig mogelijk schade oplopen. Op dat vlak ging de radiotherapie de voorbije decennia met reuzestappen vooruit. De technieken zijn nu veel doelgerichter, waardoor de hoogste dosissen straling enkel nog de cruciale zones bereiken en de omliggende, gezonde weefsels kunnen sparen.

Moeilijk bereikbaar

Het complexe aan hoofd- en halskanker is dat de tumoren vaak omgeven zijn door heel wat kritieke organen zoals de hersenzenuwen, de speekselklieren, het ruggenmerg, het stemapparaat enzovoort. Dat maakt de bestraling technisch veel uitdagender dan bijvoorbeeld bij borstkanker, waar de tumor zich vaak op een gemakkelijker bereikbare plek bevindt, aan de buitenkant van het lichaam.

Verbeterde technieken

UZ Leuven heeft de laatste jaren veel geïnvesteerd in het verder optimaliseren en finetunen van de radiotherapie. Zo berekenen de specialisten de stralingsdosissen tegenwoordig op basis van de meest geavanceerde beeldvorming en zelfs artificiële intelligentie.

Daardoor gebeurt het in kaart brengen van de tumorzone en bijvoorbeeld de slikspieren daarrond niet langer manueel. Vroeger tekende de arts die uit, maar dan kreeg je kleine variaties die eigen zijn aan menselijke acties, terwijl de automatisering van dit proces de foutenmarge aanzienlijk verkleint. De radiotherapeut krijgt nu een gedetailleerde, accurate kaart van de te bestralen zone en verbetert zo de kwaliteit van de therapie.

Dat verhoogt de genezingskansen en verkleint het risico op bijwerkingen zoals aanhoudende slikstoornissen, iets wat de patiënt erg kan beperken.

Bijwerkingen

Radiotherapie kan bijwerkingen veroorzaken, zoals een droge mond en keel, verlies van smaak, geur en/of eetlust, slikproblemen, mondslijmvliesontsteking en vermoeidheid.

De radiotherapeut doet er echter alles aan om die bijwerkingen in de mate van het mogelijke te temperen met aangepaste medicatie. De verminderde speekselaanmaak is blijvend, maar de meeste andere bijwerkingen verdwijnen na verloop van tijd. Logopedisten en diëtisten helpen ze mee opvangen.

Laatste aanpassing: 27 januari 2021