Wielemie (37)

1 maart 2017

Hoelang is het geleden? Tien jaar, denk ik, minstens. Ik sta aan de rand van de toenmalige vijver van campus Gasthuisberg. Iemand komt aangereden in een rolstoel. “Ik ben Wielemie”, zegt ze, “Marieke Vervoort. Ik ben rolstoelatlete. En ik haal nog eens een wereldrecord!”

Zoveel jaar later zit ze in deze cafetaria, met twee vrienden. En met Zen, haar trouwe hond. Veel bekijks.

Marieke (met een broodje kaas in de mond): “Dit is mijn tweede thuis, ik kom hier de jongste tijd wel erg vaak. Nee, het gaat niet echt goed met mij. Ik vind dat ik snel achteruit ga. Gisteren heb ik nog gepraat met mijn huisarts en een specialist. We hebben het gevoel dat we, wat pijn betreft, aan het eind van ons Latijn zijn. Ik heb verschrikkelijk veel pijn, vannacht heb ik bijvoorbeeld geen twee uur geslapen.”

“Dat zijn zenuwpijnen, vergelijk het met een kramp maar dan véél erger. Soms horen ze me tot een eind ver in de straat schreeuwen. Ze moeten soms sterke medicatie gebruiken om het voor mij leefbaar te houden. In Pellenberg vertelde een medepatiënt dat ik soms begon te hallucineren (roept): ‘Wow een paard in de gang! En zie ginder al die wolkenkrabbers, fantastisch!’ Achteraf lach je daar mee, maar eigenlijk is het niet om te lachen.”

Dat vertelde je ook in ‘Het Huis’ op Eén, toen je door de folterende pijn uiteindelijk het bewustzijn verloor. Vele kijkers schrokken.
Marieke: “En dat was toen eigenlijk nog niet eens zo erg. Ik heb moeten aandringen om die scène uit te zenden: mensen zien mij alleen als alles op het eerste gezicht goed gaat, stralend, in een ver land, met een medaille rond de hals. Dat wil ik niet. Veel mensen hebben zich door die uitzending ook gesteund gevoeld: kijk, ik ben niet alleen.”

(naar de twee begeleiders) En wie zijn jullie?
De vrienden: “Wij waren supporters en we zijn blijven komen. Eerst naar elke wedstrijd, later naar elke training, nog later als vrienden, als ze ons nodig had. We helpen waar het kan. Ze had al artsen en medische verzorgers, een poetsvrouw daar bovenop zou maken dat ze helemaal geen privacy meer had. En toen hebben we haar gezegd: ‘Zullen wij één keer per maand als je er niet bent, je huis spic en span maken?’”

Marieke: “En dan kom ik thuis en is alles kraaknet en ruikt het hele huis zo zalig fris.”

Waarom doen jullie dat?
De vrienden: “We zijn gestopt met werken en Marieke is, zeg maar, ons levensdoel geworden. We willen er zijn voor haar. Hoe heet dat? Warme vriendschap? Als er iets met haar gebeurt, zouden we dat verschrikkelijk vinden.”

Wat was jullie beroep?
Zij: “Ik werkte in een ziekenhuis, in Bonheiden. Ik heb altijd al de behoefte gevoeld om voor mensen te zorgen. Ik werkte niet als verpleegkundige, maar ik heb er wel leren omgaan met mensen.”

Hij: “Ik werkte als magazijnier bij Van Hool, waar ze autocars maken. Door mijn pensioen kreeg ik opeens een zee van tijd. Toen Mariekes coach afhaakte, ben ik haar beginnen helpen met contacten leggen en begeleiden bij wedstrijden. Toen we haar voor het eerst zagen, liet ik haar boek tekenen. En de tweede keer leek het wel alsof we haar al jaren kenden.”

Is dat voor jou ook zo Marieke?
Marieke: “Ik heb eens mijn schouder gebroken en dan zie je natuurlijk wie de échte vrienden zijn. We hebben zo’n clubje, de Dafalgannekes, dat zijn mensen die er altijd voor mij staan, ook nu ik gestopt ben met topsport. Ik mag iemand midden in de nacht bellen, dan staat die hier meteen, desnoods in pyjama.”

Weet je wie mij in leven houdt? Zen

“Het zijn vrienden waarvan ik weet dat ze vrienden blijven. Ook als het minder goed met me gaat, als ik niet meer win, maar verlies. Echte vrienden, geen supporters die er alleen maar zijn als ik prijzen haal. Supporters willen mee in beeld als de televisie er is. Supporters willen mee blinken, ze willen de Wielemie zien die wint en op het podium staat, niet de Wielemie die valt en haar sleutelbeen breekt en het uitschreeuwt van de pijn. Dan hoor je ze opeens niet meer.”

“Maar de Dafalgannekes zijn ook gewoon een toffe bende. Als we samenkomen, halen we de cava boven onder het motto: als je maar genoeg drinkt, voel je de pijn niet meer, haha. Het is geen fanclub, maar een hecht vriendengroepje dat blijft groeien en dat heel veel voor mij betekent. Zonder hen zou ik de kracht niet vinden om te blijven vechten.”

De vrienden: “Marieke is heel open, ze is eerlijk en zegt wat ze denkt. Je weet altijd wat je aan haar hebt. Ze zegt: neem me zoals ik ben. Dat trok ons erg aan. We kennen elkaar nu vier jaar, onze vriendschap blijft maar groeien. We zijn vorig jaar nog mee naar Zwitserland geweest.”

Marieke: “…Waar ik ooit op twee dagen tijd drie wereldrecords heb gebroken. Prijs: een Zwitsers zakmes (algemene hilariteit).”

Hoe zou je hen noemen? Geen fans, geen supporters. Tweede ouders?
Marieke: “Nee, ik heb veel aan mijn échte ouders. Zij hier zijn hechte vrienden. Maar ik heb meer en meer hulp nodig, omdat ik zo snel achteruit ga. Soms stokt mijn adem van de pijn. (De hond verdwijnt) Zen! Zen!! Hier! Hierrrr!”

“Ik heb nog maar net bijna drie weken in het ziekenhuis doorgebracht, waarvan ik meer dan 48 uur in een coma heb gelegen. Ik heb een auto, maar durf er zelf niet meer mee te rijden. Mijn gezichtsvermogen is nog maar 20 procent. Ik kan elk moment een epileptische aanval krijgen, dat risico wil ik niet nemen.”

“Ik ben eens zwaar verbrand omdat ik een kokende pan van het vuur haalde en een aanval kreeg. Vier maanden ziekenhuis … En toch riep ik: ‘Ik doe mee met de Memorial! Met of zonder verbanden!’ Dat was erover. Geen Memorial, dus. Die brandwonden bleven doorbranden tot 78 uur na het ongeval: ik moest er niet aan denken om uit mijn bed te komen.”

Denk je dan niet: dit moest mij nu ook nog overkomen?
Marieke: “Maar nee! Ik ben er toen mentaal sterker uit gekomen. Daarna begon ik met een durfsport. Maar ik vind altijd wel een chauffeur, familie of vriendin. Op die manier bekeken, ben ik rijk. Ik durf zeggen: zonder die solidariteit zou ik de kracht niet vinden om te blijven vechten. Meer nog: ik zou er niet meer zijn.”

Over dat laatste moment heb je het steeds meer. Denk je er vaak aan?
Marieke: “Meer en meer. Het gebeurt nooit meer dat ik vier goede dagen na mekaar heb. Soms ga ik slapen en denk ik: ik zou het niet erg vinden mocht ik niet meer wakker worden. Dat betekent niet dat ik depressief ben, ik heb nog doelen in het leven. Ik werk aan een vierde boek, Amerikanen maken een documentaire over me voor in de bioscoop … Ik heb nog genoeg om voor te leven.”

Ik moet harder vechten

“Maar ik moet er harder voor vechten en mentaal wordt het alsmaar zwaarder om het hoofd boven water te houden. Ik draag een luier, dat is niet leuk, maar ik stop het ook niet weg. Omdat ik zo mensen kan helpen die in hetzelfde geval zijn en er moed uit putten.”

“Dat wérkt: ik krijg ontzettend veel reacties. Ik leef eigenlijk van dag tot dag. Op een slechte dag roep ik soms: ‘Ik wil dat het stopt.’ Maar de volgende dag voel ik me weer veel beter en denk ik: vechten, Wielemie, niet opgeven.”

De vrienden: “We weten hoe erg het is. Als ze die beslissing neemt, zullen we dat respecteren. Maar ons leven zal nooit meer zijn als voorheen.”

Marieke: “Weet je wie mij in leven houdt? Zen! In het ziekenhuis, vorige week, bleef ze de hele dag bij mij op de kamer. Als Zen ziet dat er iets mis gaat met mij, begint ze luid te blaffen. Dan komen onmiddellijk verpleegkundigen aangestormd. Als ik begin te huilen omdat ik het niet meer zie zitten, komt Zen aanlopen om mij te troosten. Zen is goud waard. Ik wil het haar nu niet aan doen om uit het leven te stappen.”

Maar ooit …
Marieke: “Zen wordt negen. Natuurlijk denk ik daaraan, dat Zen er niet meer zou zijn. Zen is het allerbelangrijkste, maar als haar iets overkomt, wil ik zelf een assistentiehond opleiden. Ik kan dat, ik heb het bewezen.”

Je bent een vechtjas, Marieke.
Marieke: “Ik doe nu aan indoor-skydiven. Wheelen was voor mij het middel om alle frustraties en angsten van mij af te wentelen. Wheelen heeft mij vechtlust gegeven en dat betekent ook: overleven. Mijn boodschap is: mensen, blijf niet hangen bij prullen. Kijk naar wat je nog wél hebt en wél kan. Geld betekent niks. Geef me een knuffel en ik ben de rijkste mens ter wereld.”

En kijk, een voorbijganger geeft haar een knuffel. Hij fluistert: “Ik bewonder je enorm. Succes. We bidden voor jou.”

(Tekst: Jan Van Rompaey)

Ons ziekenhuis is een dorp in de stad. Jan Van Rompaey trekt met de regelmaat van de klok naar de koffieshop van campus Gasthuisberg. Om er te luisteren naar gewone en bijzondere verhalen van mensen die hier passeren. Op goed geluk spreekt hij hen aan, zelden weigeren ze een gesprek.

Graag meer lezen?

Alle verhalen uit Dorp in de stad van de voorbije jaren vind je hier.

Bekijk alle verhalen
Laatste aanpassing: 16 september 2021