Symptomen

Symptomen van delier ontwikkelen zich in enkele uren tot dagen en kunnen fluctueren in de loop van de dag (het ene moment wel of zeer uitgesproken, het andere moment geen of minder symptomen).

Er zijn drie verschijningsvormen van delier met elk hun eigen symptomen.

Apatische of hypoactieve vorm

  • Verminderde beweging (afname spontane bewegingen)
  • Verminderde interactie met de omgeving
  • Minder en langzamer spreken
  • Passief en onverschillig reageren
  • Verminderde aandacht

Onrustige of hyperactieve vorm

  • Motorische onrust en agitatie (aan de dekens plukken, doelloos bewegen of ronddwalen, uit bed willen klimmen)
  • Verminderde controle (niet stil kunnen zitten/liggen als de situatie dat vergt)
  • Rusteloosheid (klachten over mentale rusteloosheid of agitatie)
  • Roepen, schelden en afweren van zorgverleners.
  • Hallucinaties

Gemengde vorm

Bij de gemengde vorm wisselt hypoactief en hyperactief gedrag zich af.

Risicofactoren en oorzaken

Een delier kan ontstaan door een ziekte, een operatie, een ongeval of medicijnen. Patiënten met volgende kenmerken hebben het grootste risico om een delier tijdens het verblijf in het ziekenhuis te ontwikkelen:

  • Leeftijd vanaf 70 jaar
  • Ernst van medische aandoening
  • Vermoeden van middelenmisbruik
  • Bestaande cognitieve problemen, bijvoorbeeld in het kader van dementie, depressie, parkinson

Delier helpen voorkomen

Als familielid van een patiënt kunt u helpen om delier te voorkomen. 

  • Bezorg de lijst van alle medicijnen die de patiënt thuis innam aan de verpleegkundige, ook van de medicijnen waarvoor geen doktersvoorschrift nodig is.
  • Draagt uw familielid een bril of hoorapparaat, maar is hij die vergeten mee te brengen? Breng ze zo snel mogelijk naar het ziekenhuis en moedig de patiënt aan om ze te gebruiken.
  • Als u op bezoek komt, zeg dan wie u bent en waarom u komt. Vertel de patiënt, als dat mogelijk is, dat hij ziek is en in het ziekenhuis ligt.
  • Bij angst en onrust kan u de patiënt helpen door voor rust te zorgen en bij hem te blijven.
  • Geef de vertrouwde roepnaam door aan de verpleegkundigen zodat zij de patiënt op een voor hem herkenbare manier kunnen aanspreken.
  • Het helpt ook als u vertrouwde voorwerpen meebrengt naar het ziekenhuis, zoals een foto waar de patiënt veel belang aan hecht, de wekker van thuis of de stads- of buurtkrant waaruit u stukjes kunt voorlezen.

Meer informatie

Brochures en films