Column Rudi Vranckx - "Een kooi met meer dan twee miljoen mensen"

12 januari 2024

Ik zit op een terras voor mijn dagelijkse ochtend­cappuccino. Ik doe dat, als het enigszins kan, overal ter wereld. Het ritueel geeft me rust, maakt me klaar om de dag door te komen. In Leuven op het Pieter De Somerplein, in Todi op de piazza Garibaldi, in Kiev en nu dus in Tel Aviv. Mensen weten dat niet, maar het is de stad waar ik voor ‘het werk’ de meeste tijd van mijn leven heb doorgebracht. Twee intifada’s, Palestijnse opstanden, vier Gazaoorlogen en een Libanonoorlog. Altijd maar weer oorlog. 

Tijdens de winter van 1995 en de lente van 1996 woonde ik er zelfs een half jaar lang. Toen werd de prille hoop op vrede vermoord. De Isralische premier Rabin werd door een Joodse extremist, iemand van zijn eigen volk, neergekogeld. De maanden daarna werd de buurt van Tel Aviv waar ik woonde bijna dagelijks opgeschrikt door aanslagen van Hamas en andere jihadgroepen. Netanyahu werd verkozen tot Israëlische premier. 

Ze heeft nog hoop, tegen beter weten in

En kijk, bijna dertig jaar later doen beide nog steeds hetzelfde: onschuldig bloed vergieten om elkaar de duvel aan te doen. Alsof geweld loont hier in het Midden-Oosten. Kort door de bocht? Misschien, maar geen nood. Er volgt geen geschiedenisles over wie schuld heeft of wie begonnen is. Niet ‘s morgens bij de cappuccino. 

Oktober 2023: ik heb een afspraak bij Rachel thuis, ze staat op de cover van Time Magazine. Rachel is het gezicht van de radeloze ouders van wie de kinderen ontvoerd zijn en meegenomen naar Gaza. De deur gaat open. “I’m just a mom.” Ik ben gewoon maar een moeder, zegt ze. Ik ben sprakeloos. Ik weet niet meer wat vragen. Het zijn voor mij de woorden in elke oorlog. Ook diep in onze eigen cultuur, in mezelf.

Ooit kocht ik tijdens een Romereis het toeristenbeeldje van de piëta voor mijn grootmoeder. Michelangelo hakte in steen het verdriet uit van de moeder Maria, die het lichaam van haar zoon Jezus vasthield op haar schoot. Gewoon een moeder ook. Rachel heeft nog hoop, tegen beter weten in. De arm van haar zoon Hersh werd afgerukt door een granaat van Hamas. Hij werd met een afgebonden arm in shock meegenomen naar Gaza als gijzelaar. Hoe zou hij nog kunnen leven?

In Gaza worden intussen dag en nacht bommen gegooid door Israël. Wraak. Niemand is veilig, geen school, geen kerk, geen ziekenhuis. Ambulances worden onder vuur genomen. Ik heb contact met Fateena, op haar schoot zit een kind. Ze is Vlaams en Palestijns. Na vijftien jaar is ze eindelijk op bezoek bij haar bejaarde ouders, tachtigers die moeilijk te been zijn. Hoe zouden zij kunnen vluchten? De grenzen zijn dicht. Ze zitten gevangen in Gaza, een grote kooi met meer dan twee miljoen mensen.

Ze schuilen nu in het Al Quds ziekenhuis. Daar zijn 400 patiënten en 15.000 vluchtelingen. Een ziekenhuis is een veilige plaats, denkt iedereen. Zo zou het moeten zijn. Maar voor hoelang nog? Ze moeten weg van het Isralische leger. De oorlog komt dichterbij. Maar naar waar moeten ze vluchten? Op een bepaald ogenblik weet niemand het nog. Ook ik niet. Waar is de menselijkheid gebleven? 

Ik kijk naar het beeldje van de pita van Michelangelo. Het staat nog altijd op mijn kast. Een herinnering aan mijn grootmoeder. Ik zie er nu de ogen van Rachel in, van Fateena ook. Moeder Maria, Israëlische en Palestijnse. Ik brand een kaars.

Rudi Vranckx

Rudi Vranckx woont in Leuven, maar zit veel vaker als VRT-journalist in oorlogsgebieden.

Hij zoekt altijd naar het verhaal achter de feiten.

Gerelateerd

Laatste aanpassing: 8 februari 2024