Wanneer wordt ECMO gebruikt?
In normale omstandigheden werken het hart en de longen samen om je lichaamscellen van zuurstof te voorzien. Het hart pompt zuurstofarm bloed naar de longen. Die verwijderen koolstofdioxide uit het bloed en voegen zuurstof toe. Daarna stroomt het zuurstofrijk bloed terug naar het hart, dat het verder naar de rest van het lichaam pompt.
Bij patiënten die zijn opgenomen op intensieve zorg functioneren het hart en/of de longen soms onvoldoende, bijvoorbeeld na een ernstig ongeval, in een acute situatie of na een zware operatie. Wanneer andere behandelingen zoals medicatie of beademing niet genoeg ondersteuning bieden, kan ECMO de hart- en/of longfunctie tijdelijk overnemen. Zo krijgen deze organen de kans en de tijd om te herstellen en hun functie opnieuw op te nemen.
Hoe werkt ECMO?
Om ECMO mogelijk te maken, worden grote katheters (canules) in een ader of slagader geplaatst tijdens een kortdurende operatie door de hartchirurg. Via deze canules wordt zuurstofarm bloed buiten het lichaam geleid naar het ECMO-toestel en vervolgens weer naar het lichaam teruggevoerd.
Het ECMO-toestel bestaat uit:
- een pomp die het bloed door het circuit pompt
- een kunstlong (of oxygenator) die zuurstof aan het bloed toevoegt en koolstofdioxide verwijdert
- een bloedverwarmer die zorgt dat het bloed op de gewenste temperatuur blijft
Een ECMO-behandeling duurt meestal enkele dagen, maar kan ook enkele weken duren. Dat hangt af van hoe snel het hart en/of de longen herstellen.
De patiënt wordt tijdens de behandeling comfortabel en pijnvrij gehouden. Meestal wordt de patiënt ook in slaap gehouden, waardoor die zich niet bewust is van de ECMO-ondersteuning. Een gespecialiseerd team van artsen, verpleegkundigen en perfusionisten (verpleegkundigen gespecialiseerd in mechanische hart- en longondersteuning) volgt de patiënt voortdurend op.
Twee soorten ECMO
Er bestaan twee soorten ECMO-ondersteuning, die verschillen in de plaats op het lichaam waar de canules geplaatst worden (in aders en/of slagader). Het gebruikte ECMO-circuit, met pomp en kunstlong, is voor beide types van ondersteuning hetzelfde. Welk type wordt gebruikt, hangt af van de onderliggende aandoening en van de ondersteuning die nodig is.
Bij patiënten bij wie de longen slecht functioneren en beademing onvoldoende hulp biedt, wordt ECMO ingezet als een kunstlong die de longfunctie tijdelijk overneemt.
Er wordt bloed afgenomen via een canule in een grote ader (vene) in de lies of hals. Van daaruit wordt het bloed door de kunstlong gepompt en opnieuw via een ader in de lies of hals naar het lichaam teruggeleid.
Bij veno-veneuze ECMO-ondersteuning maakt een deel van de bloedsomloop dus een omweg via de kunstlong, waarna het behandelde bloed opnieuw door de eigen longen stroomt en door het hart verder naar de rest van het lichaam wordt gepompt.
Bij patiënten van wie ook de hartfunctie erg verzwakt is, kan ECMO niet alleen de longen maar ook het hart en de bloedsomloop ondersteunen.
Er wordt bloed afgenomen via een canule in een grote ader (vene) in de lies of hals. Van daaruit wordt het bloed door de kunstlong gepompt en via een grote slagader (arterie) in de lies of oksel naar het lichaam teruggeleid.
Bij veno-arteriële ECMO-ondersteuning passeert een deel van de bloedsomloop niet meer langs het hart en de longen van de patiënt, maar wordt het rechtstreeks door het ECMO-systeem naar alle organen gepompt.
Stopzetten van de ECMO-ondersteuning
Wanneer het hart en de longen voldoende hersteld zijn om hun functie weer op te nemen, wordt de ECMO-ondersteuning geleidelijk afgebouwd.
De behandeling wordt uiteindelijk stopgezet door de canules af te klemmen. Daardoor stopt de bloedflow in het ECMO-circuit. Als dit goed verloopt, kunnen de canules verwijderd worden. Dat gebeurt meestal op de kamer van de patiënt op intensieve zorg.
Mogelijke risico’s
ECMO wordt alleen gebruikt bij de meest ernstig zieke kinderen en volwassenen, die zonder deze ondersteuning waarschijnlijk niet zouden overleven. Het kan dus in veel gevallen een levensreddende behandeling zijn, maar het blijft een hoogrisicobehandeling die gepaard kan gaan met complicaties.
Om bloedklonters in het ECMO-circuit te voorkomen, krijgt de patiënt bloedverdunnende medicatie. Doordat het bloed dunner wordt, kunnen bloedingen ontstaan op de plekken waar de canules werden geplaatst of elders in het lichaam.
De bloedstolling wordt meermaals per dag gecontroleerd. De dosis medicatie wordt telkens aangepast om het risico op bloedingen of stolling te beperken.
Als er bloedklonters in het ECMO-circuit ontstaan, kan het nodig zijn om het ECMO-circuit te wisselen.
Wanneer een katheter in de bloedbaan aanwezig is, bestaat er altijd een verhoogd risico op infectie. Tekenen van infectie, zoals koorts of afwijkende infectiewaarden in het bloed, worden daarom nauwlettend in de gaten gehouden. Indien nodig worden antibiotica toegediend.
Door een hersenbloeding of bloedklonters in de hersenen kan er hersenschade optreden. Eventuele hersenschade is meestal niet alleen gelinkt aan de ECMO-behandeling, maar ook aan de ernst van de ziekte of operatie waarvoor ECMO in de eerste plaats werd opgestart.
De patiënt wordt voortdurend gemonitord zodat eventuele neurologische problemen tijdens of na de ECMO-behandeling op tijd kunnen worden opgespoord.
Meer informatie
Op de volgende pagina’s vind je meer informatie over de behandeling, de nazorg en het herstel na een ECMO-behandeling: