In die gevallen waarbij na het plaatsonderzoek en de uitwendige lijkschouwing de aard van het overlijden onduidelijk blijft, en uiteraard bij elke (verdenking op) doding, is het aangewezen een medicolegale autopsie uit te voeren. Gebruikte synoniemen voor autopsie zijn lijkopening, sectie en obductie. Deze forensische autopsie verschilt zowel in opzet als in uitvoering van de klinische of wetenschappelijke autopsie, die vooral in universitaire ziekenhuizen door een patholoog worden uitgevoerd. Klinische autopsies vinden vooral plaats om didactische redenen (voor de student, de patholoog in opleiding, de clinicus) en als kwaliteitscontrole (bepalen doodsoorzaak, verwikkelingen...).

De medicolegale of forensische autopsie[1] is vaak veeleisender en uitvoeriger met als doelstellingen (1) een nauwkeurige, gedetailleerde persoonsbeschrijving (identificatie) op te stellen, (2) alle uitwendige en inwendige pathologische afwijkingen (ziekten, misvormingen) op te sporen, (3) alle uitwendige en inwendige verwondingen op te zoeken, nauwkeurig te beschrijven (type, afmetingen, anatomische lokalisatie) en (fotografische en met schetsen) te documenteren, (4) de (onmiddellijke en oorspronkelijke) doodsoorzaak, inclusief bijdragende of bevorderende factoren, vast te stellen, (5) het mechanisme van overlijden te bepalen, (6) het tijdstip van overlijden te bepalen, en (7) alle nuttige sporen te verzamelen.

De criteria waaraan een medicolegale of forensische autopsie moet voldoen, zijn internationaal vastgelegd, en ondermeer door de Raad van Europa aanvaard als aanbeveling voor de lidstaten [2]. België heeft hieromtrent evenwel geen enkele richtlijn uitgevaardigd: de gebrekkige toestand bestaat tot op heden, zonder enige wetgeving omtrent medicolegale autopsies dit in tegenstelling tot een aantal andere Westerse staten[3]. Dit draagt ontegensprekelijk bij tot een zeer laag aantal autopsies en een nog steeds bestaand risico op onvoldoende kwaliteit.

De autopsie omvat minstens (1) een volledig uitwendig onderzoek voor en na reiniging (vb. wegwassen van bloed), (2) het openen van alle lichaamsholten (borst, buik en schedel), (3) het onderzoek van de inhoud van holten en holle organen (o.a. bepalen en meten van aard en hoeveelheid vocht in borst- en buikholte, urine, maaginhoud), (4) het patholoog-anatomisch onderzoek van alle inwendige organen, (5) de halsdissectie in situ en in bloedledigheid (na verwijderen van de hersenen en borstorganen), (6) de afname van stalen voor toxicologisch, genetisch (en desgevallend ook biochemische en microbiologisch) onderzoek (minimaal bloed, urine, gal, maaginhoud), (7) de afname van alle nuttige sporen (vb. beetletsels, sperma, haren, vezels...), en (8) het histologisch onderzoek (minimaal microscopisch onderzoek van hart, longen, lever, nieren en zichtbare letsels).

Het belang van een nauwgezette halsdissectie met losprepareren van elke halsspier en een gedetailleerd onderzoek van het keelskelet (tongbeen, strottenhoofd) kan niet genoeg worden benadrukt. Meermaals leidt dit onderzoek tot de ontknoping door de ontdekking van halsspierbloedingen en/of fracturen van het keelskelet, als enige teken, naast conjunctivale petechieën, van doding door wurging of strangulatie zonder uitwendige wurg- of strangulatietekens. Deze dissectie mag pas na uitruiming van schedel- en borstholte worden doorgevoerd om artefact-bloedingen, de Prinsloo-Gordon bloedingen, te vermijden.

Naargelang de omstandigheden zal de autopsie worden aangevuld met sectie van rug en ledematen (opsporen van diepe kneuzingen en fracturen), dissectie van de gelaatsschedel (vb. in geval van maxillofaciaal trauma), radiologisch onderzoek (vb. opsporen en lokaliseren van vreemde voorwerpen zoals mespunt, projectiel...), neuropathologisch onderzoek van de hersenen na formolisatie, gedetailleerd onderzoek van het hart (met eventueel postmortem coronarografie). Bij zware verminking, gevorderde ontbinding, identificatieproblemen kan een osteologisch onderzoek (van naakte botten na anatomische preparatie) zeer nuttig zijn (voor bepaling van geslacht, leeftijd lichaamslengte, werktuigsporen). In bepaalde gevallen is bijstand van een forensisch odontoloog (onderzoek gebit, beetletsels) noodzakelijk en kan het bijwonen door andere deskundigen (verkeer, ballistiek, brand...) nuttig zijn. Niet zelden zullen bijkomende laboratoriumonderzoeken op de afgenomen stalen dienen te worden uitgevoerd door deskundigen op het gebied van: toxicologie, genetica (DNA), biochemie, bacteriologie...

Het lichaam dient zoveel als mogelijk terug toonbaar te worden gemaakt om waardig afscheid door nabestaanden mogelijk te maken conform de Belgische ministeriële richtlijn van 16.09.98 van de minister van Justitie: terugplaatsen van de organen, sluiten van alle insneden, verzorgen en aankleden van het lichaam (lijktooi), opbaring. De wet stipuleert terecht uitdrukkelijk dat nabestaanden recht hebben op een waardig afscheid (aanvulling art. 44 Sv volgens art. 6 van de Wet 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtpleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, Belgisch Staatsblad van 2 april 1998, 10.027 - 10.040). Voor vele nabestaanden is dit afscheid noodzakelijk om het rouwproces goed te laten verlopen, hoe gruwelijk de feiten ook mogen zijn [4]. Men dient er zich wel rekenschap van te geven dat afscheid nemen voor de autopsie (vooral in geval van doding) het sporenonderzoek ernstig kan verstoren en bijgevolg het gerechtelijk onderzoek kan hypothekeren. Bovendien zorgt de lijktooi ervoor dat lichamen vaak pas toonbaar zijn na de autopsie: lichaam gereinigd van bloed, vuil; deftig aangekleed en opgebaard; wonden verzorgd (verband) of zelfs hersteld; aangepaste omgeving.

Het moge duidelijk zijn dat, wil men aan de kwaliteitsvereisten voldoen, medicolegale autopsies enkel kunnen plaats vinden in een speciaal daartoe uitgeruste (goed verluchte en verlichte) autopsiekamer met gespecialiseerd personeel en een weegplatform om het exacte lichaamsgewicht te bepalen. Een autopsie doet men maar éénmaal.

Een niet te onderschatten aspect van de medicolegale opdracht is de rapportering. Dit rapport is de weergave van alle objectieve vaststellingen gevolgd door een ‘met redenen omklede' interpretatie. In het verslag moet duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds een volledige opsomming van vaststellingen (facts), ook negatieve bevindingen, en anderzijds een forensische interpretatie (opinion). De deskundige wordt inderdaad gevraagd op basis van heersende wetenschappelijke kennis én zijn ervaring de bevindingen te interpreteren en alle nuttige vragen die kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding, te (pogen te) beantwoorden. Indien verschillende interpretaties mogelijk zijn, zal hij uitleggen waarom ene of gene interpretatie/hypothese de voorkeur geniet. Het is ook belangrijk dat de deskundige in zijn bespreking vermeldt op welke gegevens (vb. literatuur, resultaten van andere deskundige onderzoeken, processen verbaal...) hij zich baseert. Interpretatie stoelt uiteraard op de op dat ogenblik beschikbare gegevens. Achteraf kunnen nieuwe feiten aan het licht komen die eventueel een andere interpretatie moeten mogelijk maken. De deskundige zal in zijn rapportering tevens een evenwicht moeten vinden tussen enerzijds een gedetailleerde weergave van de vaststellingen en het denkproces, en een begrijpbare, eenvoudige (maar correcte) taal anderzijds: het is uiteindelijk de bedoeling dat de niet-medicus (politie, magistraat, betrokkene, advocaat, jury...) begrijpt wat de deskundige wil mededelen.

Een aantal punten zullen in de regel bij de bespreking aan bod moeten komen: (1) een evaluatie van de gezondheidstoestand van het slachtoffer, (2) een evaluatie van de verwondingen betreffende de aard (vb. stompe versus scherpe geweldvorm), ernst (welke verwondingen zijn dodelijk?) en ontstaanswijze (welk daadinstrument komt in aanmerking?) maar ook inzake vitaliteit (pre- versus postmortem) en ouderdom, (3) een evaluatie van de overlevingsduur (heeft het slachtoffer nog een tijd geleefd?), (4) een evaluatie van handelingsbekwaamheid (was het slachtoffer in dergelijke toestand nog in staat tot bepaalde handelingen?), en (5) een evaluatie van het oorzakelijk verband tussen de (vermeende) feiten en het overlijden.


[1] Van de Voorde W. Het ongewoon sterfgeval - medicolegaal postmortem onderzoek. In: Van de Voorde W, Goethals J, Nieuwdorp M (eds). Multidisciplinair forensisch onderzoek - juridische en wetenschappelijk aspecten (deel 1). Brussel: Politeia, 2003a: 169-91.

[2] Council of Europe. Recommendation No. R (99) 3 of the Committee of Ministers to Member States on the Harmonisation of Medico-Legal Autopsy Rules. Strasbourg: Council of Europe. Forensic Science Int 2000; 111: 5 - 29.

[3] Steering Committee on Bioethics (CDBI): Compilation of replies from Council of Europe member states to the questionnaire on national legislation concerning medico-legal autopsy procedures. Forensic Science Int. 2000; 111: 87 - 118

[4] Vandevenne Y. Justitie en waardig afscheid nemen (eindverhandeling). Leuven: Katholieke Universiteit Leuven, 2001.