Protontherapie
Protontherapie

BeSTRO (Belgian SocieTy for Radiotherapy and Oncology), de nationale wetenschappelijke vereniging voor oncologische radiotherapie, en het College van geneesheren voor de centra voor radiotherapie, hebben – samen met het grote publiek – kennisgenomen van de resultaten van de studie van het KCE rond ‘protontherapie bij volwassenen’ (rapport 307Bs).

Wij zijn uiteraard heel tevreden dat er zoveel aandacht is voor radiotherapie in het algemeen en protontherapie in het bijzonder. Radiotherapie met fotonen (of X-stralen) is een relatief miskende medische discipline, die jaarlijks meer dan 30.000 Belgen helpt (ofwel een op de  twee kankerpatiënten) en goed is voor de helft van alle genezingen. Nu protontherapie in België klinisch wordt gebruikt, is het noodzakelijk om een standpunt in te nemen rond het beredeneerde gebruik ervan om misbruik te voorkomen. Het rapport van het KCE heeft dus alle bestaansrecht. Wij willen hier echter een aantal kanttekeningen (over de gebruikte methodologie) bij plaatsen en enkele nuances (over de conclusies die worden getrokken) aanbrengen.

Protontherapie wordt al enkele decennia gebruikt in een handvol wetenschappelijke onderzoekscentra omdat het gezonde, omliggende weefsel met deze therapie minder wordt bestraald dan bij radiotherapie met fotonen. Pas sinds het begin van dit millennium worden ook daadwerkelijk leefbare commerciële oplossingen gebruikt in klinische behandelcentra. Bijgevolg is het niet realistisch om nu al degelijke wetenschappelijke literatuur te verwachten, aangezien de ervaring beperkt is. In dit geval is het ontbreken van bewijs van de werkzaamheid echter geen synoniem voor het bewijs van het ontbreken van werkzaamheid.

Ten tweede is de vergelijkingsmethode – die het KCE ideaal noemt, met name randomisatie (of loting tussen twee behandelingen) tussen protontherapie en fotontherapie – in dit geval niet geschikt. Deze methode wordt weliswaar met succes toegepast in farmacologische studies waarvan de resultaten in een kort tijdsbestek kunnen worden gemeten, maar dat geldt niet voor twee technieken, waarvan het voornaamste voordeel moet worden gemeten in termen van late toxiciteit.

Het zal dus nog veel langer dan tot 2027 duren om onweerlegbare conclusies te kunnen trekken. Dat is medisch noch ethisch aanvaardbaar. Gezien de grote sprongen waarmee de technologie vooruitgaat, zal het nooit mogelijk zijn om het nut van nieuwe technieken aan te tonen voor ze alweer achterhaald zijn. Moeten we ze daarom aan onze patiënten ontzeggen? We moeten hen, het medische korps en de politieke overheid een bevredigend alternatief bieden.

Onze Nederlandse collega’s hebben een methode ontwikkeld die specifiek aangepast is aan radiotherapie, gebaseerd op vele tientallen jaren onderzoek naar en gegevensverzameling over de gevoeligheid van normale organen volgens de toegediende dosis. Met de huidige technologie kan op basis van een scan van de patiënt en van een virtuele vergelijking van de met behulp van protonen of fotonen aan het gezonde weefsel toegediende dosis  tegenwoordig voor elke patiënt worden voorspeld of protonen een significant verschil zullen maken en of de aannemelijke [matige] meerkosten klinisch verantwoord zijn.

In een tijd van gepersonaliseerde geneeskunde is dit instrument mee met zijn tijd en kan elke patiënt de beste behandeling krijgen die beschikbaar is en die hij terecht mag verwachten. Het is ook belangrijk om patiënten die met deze therapie bestraald zijn van dichtbij en op lange termijn op te volgen middels strikt wetenschappelijk onderzoek of om de voordelen en eventuele ongemakken van de therapie te documenteren in een Belgisch – of zelfs Europees – register. Met de gegevens die worden verkregen, kunnen de hiaten in de kennis gaandeweg worden ingevuld zonder dat deze behandeling wordt ontzegd aan de patiënten die er baat bij kunnen hebben.

Wij staan volledig achter het KCE wanneer het aanbeveelt om elk dossier voor te leggen aan de adviesraad van het RIZIV. Het is tevens van belang om de toegang tot deze radiotherapie, die duurder is dan een radiotherapie met fotonen, te regulariseren voor patiënten die daar mogelijk het grootste voordeel bij zouden hebben. Daarnaast is het ook wenselijk om patiënten aan wie de toegang tot deze hoogwaardige moderne therapie met fotonen wordt geweigerd gerust te stellen, in het bijzonder in ons land. De twee bestralingstechnieken mogen niet als tegengesteld worden beschouwd, maar wel als technieken die elkaar aanvullen. Beide moeten in een beperkt aantal centra worden aangeboden, om de expertise van het verzorgend personeel en de kwaliteit van de geleverde behandeling te garanderen.

De meerkosten (het huidige totaalbedrag is € 3,9 miljoen per jaar) zijn relatief als we kijken naar de kosten van immuuntherapie (€ 255 miljoen per jaar), een andere belangrijke antikankerbehandeling die vandaag de dag onontbeerlijk is en die eveneens patiënt per patiënt moet worden bekeken veeleer dan ze onoordeelkundig op grote schaal aan te wenden. Het is hoog tijd om de protontherapie toe te passen in ons land – maar wel op een gecontroleerde manier – ten voordele van geschikte patiënten die er het meest baat kunnen bij hebben nadat ze met behulp van het Nederlandse model werden geïdentificeerd. Elke andere attitude zou ingaan tegen de medische ethiek.

Lees het Franstalige artikel op lespecialiste.be.