Hyperglycemie betekent letterlijk een te hoge glycemie, dit wil zeggen een te hoge bloedsuikerspiegel of een bloedsuikerspiegel boven de 200 mg/dl.  

Hoe ontstaat een hyperglycemie?

Bij een hyperglycemie is er een probleem met de glucosehuishouding. Er is een gebrek aan insuline of de aanwezige insuline kan niet effectief werken, waardoor de glucose zich gaat ophopen in het bloed en er een hoge bloedsuikerwaarde ontstaat. De cellen vragen om energie en zenden signalen naar de lever om suiker vrij te geven. Als op dat ogenblik niet wordt ingegrepen, gaat deze verhoging van bloedsuiker altijd verder in een versneld tempo, met alsmaar verdere stijging van de glycemie tot gevolg.

Hier stopt het verhaal meestal bij mensen met type 2 diabetes. Bij deze vorm van suikerziekte is er immers nog insuline.

Bij mensen met type 1 diabetes kan de situatie echter verder evolueren. Als het insulinetekort niet verholpen wordt, krijgen de cellen (bijvoorbeeld spiercellen) geen toevoer van glucose 'als brandstof' en gaan de ongelukkige cellen protesteren. Er wordt dan overgeschakeld naar verbranding van vetten als energiebron, waarbij er een omzetting is van vrije vetzuren naar ketonen.
Deze ketonen kunnen opgespoord worden in de urine door middel van een strip. Een glucosemeter biedt de mogelijkheid om met een specifieke strip, ketonen op een bloedstaaltje (vingerprik) te bepalen. Het probleem is dat deze ketonen het lichaam verzuren. Dat schept een gevaarlijke situatie die levensbedreigend kan zijn, als niet wordt ingegrepen. 

De enige oplossing is het doorbreken van deze vicieuze cirkel door het toedienen van vocht en insuline.

Symptomen van hyperglycemie

Hyperglycemie

  • Veel plassen
  • Veel drinken
  • Droge of plakkerige tong
  • Lusteloosheid
  • Vermoeidheid of slaperigheid
  • Verlies van eetlust, misselijkheid en buikpijn
  • Vermageren zonder reden

Ongeveer 50% van de mensen met diabetes type 2 vertoont echter geen symptomen.

Hyperglycemie komt voor bij:

  • Pas ontdekte diabetes mellitus
  • Dieetfouten
  • Het overslaan van medicatie en/of insuline
  • Onvoldoende effect van de bloedsuikerverlagende medicatie (type 2)
  • Foutieve spuittechniek
  • Door altijd op dezelfde plaats in te spuiten (slechte opname van insuline door lipodystrofie)
  • Maaltijd met te veel koolhydraten
  • Sterk gesuikerde voeding
  • Onvoldoende insuline ingespoten of vergeten te spuiten
  • Het niet innemen van bloedsuikerverlagende tabletten (type 2)
  • Stress, angst
  • Koorts en ziekte
  • Inname van bepaalde geneesmiddelen die bloedsuikerverhogend werken, zoals cortisone
  • Verminderde lichaamsbeweging

Wat kunt u zelf doen?

glas water

  1. Drink veel water.
  2. Controleer regelmatig zelf uw bloedsuiker.
  3. Gebruikt uw insuline, spuit de insuline dan in volgens aanpassingschema.
  4. Gebruikt u medicatie, neem dan bij continu stijgende bloedsuikers contact op met de huisarts. Bij ziekte, misselijkheid, braken, moet u uw medicatie verder innemen. Als de bloedsuiker hoog blijft, neem dan contact op met uw huisarts.
  5. Neem contact op met uw huisarts of de diabetesverpleegkundige bij aanhoudende hoge suikers.
  6. Spoor de oorzaak op en probeer die aan te pakken.

 Bij een eenmalige waarde van 250 mg/dl is er geen reden tot paniek.