Door een donkere tunnel
Staf Peeters
12-12-11
Door een donkere tunnel
Woordje van de pastor - door Staf Peeters
“Ik heb Hem gezien”.
“Wie?”, vraag ik.
“God”, zegt ze.
“God gezien?”, vraag ik aarzelend.
“Ja. Vorige keer toen ik in het ziekenhuis lag na een infarct, na mijn operatie was dat…”.
“En? Hoe ging dat?”, vraag ik nieuwsgierig.
“Het was alsof ik in een donkere tunnel liep, maar helemaal in de verte zag ik een lichtpuntje. Dat puntje trok mij altijd verder en vooruit door het duister van de tunnel. En ik stapte verder en verder, rechtdoor naar het licht toe. En plots stonden links van mij mensen die ik kende. Bekende gezichten van familie en vrienden. Aan de rechterkant stonden allemaal blinkende mensen. Die mensen rechts schitterden echt. Dat waren engelen en heiligen dacht ik. Drie van hen, helemaal op het einde, herkende ik. Dat waren de drie aartsengelen: Michaël, Gabriël en Rafaël. Michaël is de strijdende engel. In dienst van God vecht hij tegen het kwaad. Gabriël is de engel die het goede nieuws komt brengen aan de mensen. Hij was het ook die de blijde boodschap aan Maria kwam vertellen: over haar zwangerschap en dat ze het leven zal schenken aan Jezus, de langverwachte. En Rafaël is natuurlijk de engel van alle zieken. Het Sint-Rafaëlziekenhuis in de Kapucijnenvoer onder aan de berg, weet u wel? Deze stond voor mij natuurlijk niet voor niets als laatste in de rij van de donkere tunnel, want ik was al zo lang ziek. En ik stapte nog verder naar dat licht toe en helemaal op het einde van de tunnel, midden in het licht stond een man. Maar een mooie man, nog veel schitterender dan die engelen rechts. En ik vroeg: “Zijt Gij God?”
“Ja”, zei Hij.
“Ben ik dan dood?”
“Nee”, antwoordde Hij.
“Mag ik nu hier blijven?”, vroeg ik, want het was daar zo goed en zo schoon in dat warme licht.
“Nee”, zei Hij.
“Waarom niet?”, vroeg ik.
“Gij moet terug, want gij moet voor mij nog iets doen”, zei Hij.
“Ah ja”, zei ik, “maar wat moet ik doen voor U?”
“Dat moet ge zelf ontdekken”, antwoordde Hij. En toen was Hij weg en stond ik plots terug aan het begin van de tunnel in het donker. En het volgende dat ik mij herinner is dat ik wakker ben geworden in een bed hier in het ziekenhuis.
“Amaai”, zeg ik, “dat lijkt een bijna-dood ervaring”.
“Ja”, zegt ze. “En daar lag ik dan. Ik was al zo lang ziek en nu was ik bovendien half verlamd na dat infarct! Hoe kon ik nu nog iets doen voor God? Hoe was het mogelijk dat Hij mij niet bij zich had gehouden, in dat warme licht. Daar wilde ik zijn. Niet hier op aarde waar ik helemaal niets meer kon betekenen. Waarvoor had Hij mij nu nog nodig? Wat voor zin had mijn leven nog, zo half verlamd? Ik kon toch niets meer doen? Ik begreep er niets van. En ik ben beginnen bidden. Bidden en vragen aan God: wat wilt Gij toch dat ik doe? Elke dag deed ik een gebed. En op de lange duur bad ik niet meer voor mezelf, maar voor alle mensen die iets verkeerd hebben gedaan in hun leven en dat niet meer goed kunnen maken”.
“Dat is niet evident”, zeg ik, “bidden voor iemand die een ander onherstelbaar leed heeft aangedaan en daarin onmachtig staat”.
“Op een nacht is Hij antwoord komen geven”, gaat ze verder. “In een droom. Plots stond die schitterende knappe man voor mij en Hij zei: “Dankjewel. Nu doe je wat ik jou vroeg: bidden voor alle machteloze mensen… Wees niet bang. Je bent uniek in wat je voor jezelf hebt ontdekt”.
Het is even stil in de kamer. Ik heb wat tijd nodig om dit verhaal, mij als pastor zomaar toevertrouwd, te laten doordringen.
“En blijf je dat ook doen? Elke dag bidden voor mensen die niet meer kunnen goed maken wat ze verkeerd hebben gedaan?”, waag ik het haar te vragen.
“Ja, hoor”, zegt ze en ze wijst met haar vinger naar het verzilverde beeldje van Maria op het bijtafeltje. “Ook zij was een machteloze vrouw toen ze haar zoon zag sterven op het kruis. Ook aan haar draag ik mijn gebeden op”. Ze graait haar Paternoster van onder haar hoofdkussen vandaan en zegt: “Hij kan veel, Onze Lieve Heer van hierboven. Daar ben ik echt van verschoten. Mij toch nog terugsturen, ook al ben ik half verlamd. Dat is toch wel heel straf…”.
Zo getuigt de God van Jezus dat elk mensenleven, hoe broos en kwetsbaar en afhankelijk ook, waardevol is. Zelfs voor wie niets meer kan doen in onze prestatiegerichte maatschappij, voor wie half lam elke dag met zorgen wordt omringd, heeft Hij een zin, een opdracht, een perspectief klaar. Hoe onaf en gebroken ook, elk mens heeft altijd nog iets te ontdekken…
In de UZ Leuven werken 11 pastores. Staf is één van hen. U kunt met een pastor contact opnemen via de verpleegeenheid of via het secretariaat, tel. 016 34 86 20.
- Vraag een gesprek met een pastor aan
- Reageer op dit artikel: mail Staf
