De operatie zelf
Inplanting van de nier
Een donornier wordt niet ingeplant op de plaats waar de eigen nieren zich bevinden, maar in de onderbuik. Dit is technisch gemakkelijker. Hiervoor wordt links of rechts in de onderbuik een gebogen insnede gemaakt. De ader en de slagader van de donornier worden zijdelings aangeschakeld op de grote ader en slagader die instaan voor de bevloeiing van het linker- of het rechterbeen. De urineleider wordt aangesloten op de blaas. De ingreep duurt ongeveer twee tot drie uur.Ontwaken
Tijdens de operatie wordt de ademhaling overgenomen door een machine. Om dit mogelijk te maken, wordt er tijdens de verdoving, een buisje via de mond tot in de luchtpijp gebracht. Dit buisje wordt dadelijk na de operatie verwijderd. De patiënt kan hierdoor wat keelpijn hebben of hees zijn na de operatie. Die hinder verdwijnt al na enkele dagen.Omdat er tijdens de operatie geen traanvocht wordt aangemaakt, worden de ogen tegen uitdroging beschermd met zalf. Bij het wakker worden, kan hierdoor de omgeving wazig lijken. De verpleegkundige zal de zalf verwijderen.
De darmwerking wordt tijdens de operatie spontaan onderbroken maar de productie van maagvocht gaat voort. Om te voorkomen dat het maagvocht zich opstapelt in de maag en misselijkheid veroorzaakt, wordt er tijdens de operatie een maagsonde via de neus tot in de maag gebracht. Deze sonde wordt verwijderd als de darmwerking terug spontaan hersteld is. Vaak is dit reeds enkele uren na de operatie.
Twee of drie buisjes (redondrains genoemd) worden tijdens de ingreep rond de nieuwe nier aangebracht. Ze dienen om het overtollige bloed en vocht te laten aflopen na de operatie. Deze drains kunnen meestal na enkele dagen worden verwijderd.
De urine uit de blaas vloeit af via een blaassonde. Dit is een soepel buisje dat tijdens de operatie langs de natuurlijke urineweg tot in de blaas wordt geschoven. Na de operatie kan dit uw kind het gevoel geven dat het moet plassen. In dit geval verwittigt u de verpleegkundige. Na zeven dagen wordt deze katheter verwijderd, op voorwaarde dat de urine helder is.
Inwendig wordt meestal in de unrineleider een DJ stent geplaatst om vernauwing van de urineleider te vermijden. Deze wordt na zes weken verwijderd. Het kind moet zeker heel die tijd antibiotica innemen om urinaire infectie te vermijden.
In een ader van de hals en in een ader van een arm worden infusen geplaatst om vocht, geneesmiddelen en eventueel ook bloed toe te dienen. Deze katheters worden tijdens de verdoving ingebracht, zodat het kind er niets van voelt. Na ongeveer veertien dagen worden ze verwijderd.
