Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

Niertransplantatie: algemeen

Waarom een niertransplantatie?

InfuusDe voornaamste taak van de nieren is het regelen van het water- en zoutgehalte in het lichaam. Als de nieren onvoldoende of niet werken, wordt deze taak slecht of niet uitgevoerd. Dit heeft een teveel aan vocht in het lichaam tot gevolg. Hierdoor ontstaat hoge bloeddruk, de patiënt krijgt dikke voeten en wordt soms kortademig. Bovendien worden de afvalstoffen niet uit het lichaam verwijderd zodat verschijnselen kunnen optreden als braken, diarree en uiteindelijk coma.

De taken van de nier kunnen door twee behandelingsmethoden worden overgenomen:

  1. De eerste manier om dit te doen is het bloed kunstmatig zuiveren door een kunstnier (Hemodiaylyse of HD) of door het dagelijks spoelen van de buikholte (Peritoneale dialyse of PD). De meeste  bloedzuiverende functies van de nier kunnen door een kunstnier of door peritoneale dialyse worden overgenomen. Toch zijn er een aantal nadelen aan de behandeling met een kunstnier zoals schoolverzuim, dieet, ...
  2. De tweede manier is een meer definitieve behandeling, nl. het herstellen van de nierfunctie door het transplanteren van een gezonde nier van een donor. In UZ Leuven wordt gebruik gemaakt van nieren van overleden donoren, maar ook van nieren van één van de ouders. Dankzij een transplantatie kan het kind vrijwel volledig herstellen van de gevolgen van zijn/haar nierziekte. Het nadeel is dat de patiënt blijvend medicatie moet innemen om afstoting van de nier te voorkomen.

Tegenwoordig zijn de risico's van een transplantatie zeer beperkt en zijn de langdurige resultaten zeer bevredigend. In UZ Leuven zijn na tien jaar nog ongeveer tweederde van de getransplanteerde nieren werkzaam. Als de werking van de getransplanteerde nier vermindert, kan de patiënt terug in aanmerking komen voor een volgende transplantatie of kan het kind opnieuw met dialyse behandeld worden.

Beslissing tot transplantatie

Pretransplantonderzoeken
Of een patiënt al of niet in aanmerking komt voor een niertransplantatie hangt af van een aantal factoren. Deze worden onderzocht in de voorafgaande pretransplantonderzoeken. De bedoeling hiervan is eventuele problemen voor de transplantatie op te sporen en ze zo mogelijk ook eerst te behandelen, bv. het genezen van een infectiehaard, het wegnemen van een besmette nier enz.

De voornaamste pretransplantonderzoeken zijn:

  • röntgenfoto's van het hart en de longen en van de voornaamste beenderen
  • onderzoek van de blaas en de urinewegen (cystografie)
  • echografisch onderzoek van de voornaamste bloedvaten
  • nazicht van de tanden en het tandvlees
  • onderzoek van de werking van het hart (elektrocardiogram - echografie van het hart)
  • oogonderzoek, o.a. om na te gaan of de bloeddruk lange tijd verhoogd was 
  • een aantal bloedonderzoeken, waaronder een uitgebreide weefseltypering
 Weefseltypering
Het grootste probleem bij een transplantatie is dat het lichaam van de ontvanger het vreemde orgaan zo snel mogelijk wil afstoten. Daarom wordt voor elke kandidaatontvanger een zo goed mogelijk passende donornier gezocht, d.w.z. een nier met zoveel mogelijk dezelfde weefselkenmerken.

Op de eigen weefselcellen komen kenmerken voor die zeer verschillend zijn van persoon tot persoon. Deze worden Humane Leucocytaire Antigenen of H.L.A.-antigenen genoemd. Hoe groter de overeenkomst is tussen de kenmerken van de donor en die van de ontvanger, hoe kleiner het risico op afstoting van een getransplanteerd orgaan. Om die reden worden bij elke transplantatiekandidaat deze kenmerken zo goed mogelijk opgezocht. Dit gebeurt tweemaal via een bloedonderzoek, vooraleer men opgenomen wordt op de wachtlijst voor transplantatie. Som is om de juiste typering van het kind te kennen een onderzoek bij de ouders nodig.

Met deze gegevens wordt bij elke beschikbare donornier nagegaan welke patiënt de meest gelijkende H.L.A.-typering vertoont. De selectie gebeurt op basis van deze typering en het overeenstemmen van de bloedgroep.

Sommige mensen hebben in hun bloed antistoffen tegen bepaalde weefselkenmerken. Deze antistoffen zijn meestal ontstaan als gevolg van vroeger toegediende  bloedtransfusies of eerder uitgevoerde transplantaties. De aanwezigheid van zulke antistoffen kan het vinden van een geschikte donornier bemoeilijken. Voor de bepaling van H.L.A.-antistoffen worden regelmatig bloedstalen afgenomen, omdat de hoeveelheid aanwezige antistoffen wisselend kan zijn.