Korte Geschiedenis van de neonatale intensieve zorgen in Leuven
De dienst Neonatologie viert 25 jaar Neonatale Intensieve Zorgen. Dit lijkt mij een goede gelegenheid om kort de geschiedenis van de zorgen aan de pasgeborene in Leuven te belichten.
Tot halfweg de jaren 1930 werden de zorgen aan borelingen en prematuren zowat overal geregeld door de vroedvrouwen die in geval van ongewone problemen beroep konden doen op de verloskundigen. In Leuven is het voornamelijk Professor Renaer geweest die zich het meest het lot van de pasgeborenen heeft aangetrokken2. Volgens de mondelinge overlevering is Dr. Henri Vertruyen de eerste kinderarts geweest die in het "Moederhuis" sommige borelingen onderzocht. De premature of zieke borelingen werden hetzij bij de moeder verzorgd hetzij op de "pouponnière" door de verpleegkundigen en vroedvrouwen van de materniteit. Rond 1950 kwam de zorg voor pasgeborenen definitief op dreef en werd in de materniteit een eerste prematurenafdeling ingericht op de 4de verdieping van St. Rafaël. In diezelfde tijd kwam er ook continuïteit in de pediatrische aanwezigheid. In 1952 werd Dr. Gaby Boone, pas terug uit het Boston Lying in Hospital, Mekka van de kennis van de pasgeborene, als kinderarts aangesteld gevolgd door Dr. Michel Carpentier en later in 1956 Dr. Jacques Lorré. Professor Eggermont, toen nog gloednieuw kinderarts, heeft hier op 15 augustus 1956 het eerste intraveneus infuus geplaatst bij een kind met congenitale bijnierhyperplasie. Voordien werden hypodermische vochtinfusen paravertebraal geplaatst. De prematurenafdeling in het St Raphaëlziekenhuis is stilaan onder zijn impuls en dank zij de onverdroten inzet van enkele verpleegkundigen voornamelijk juffrouw Aline Bergen, uitgegroeid tot een centrum waar het basisconcept van goede observatie en ondersteunende zorgen aan de premature en zieke boreling werd gelegd namelijk: zuurstoftoediening, partiele sondevoeding, infuustherapie, wisseltransfusie. Door de toepassing van deze ondersteunende zorgen zijn, althans voor de boreling van 1000-1500g., de levenskansen gestegen van 32 tot 59% tussen 1955 en 1960. Onder de 1000g bleef de mortaliteit echter ongewijzigd. Het werd duidelijk dat de levenskansen van deze kleinste kinderen slechts konden verbeterd worden wanneer men naast ondersteuning van de vitale functies en hun continue bewaking ook enkele van deze functies tijdelijk overnam zoals de ademhalingspomp e.a. En daarmee was theoretisch althans de stap naar neonatale intensieve zorgen gezet. Voor wie zich echter het schaarse aantal ( 3 x 25) vierkante meter van de prematurenafdeling op St Raphaël kan herinneren was deze stap daar althans niet te zetten en het was ook niet de optie van Professor Eggermont om deze nieuwe technieken binnen deze enge muren te gaan forceren.De eerste figuur toont de evolutie van de overlevingskansen vanaf 1955 tot 1999 voor kinderen onder de 2000 gram. Men herkent hierbij de selectieve impact van de neonatale zorgen (NZ) en deze van de neonatale intensieve zorgen (NIZ) waardoor uiteindelijk ook de levenskansen van de kinderen onder de 1000g verbeterden.
De bouw van het nieuwe kinderziekenhuis als eerste fase van het project Gasthuisberg was een ongelooflijke opportuniteit voor de Leuvense Kindergeneeskunde. Toen in september 1975 de dienst Kindergeneeskunde verhuisde van de drie halve verdiepingen in het St Raphaëlziekenhuis naar het nieuwe kinderziekenhuis verdrievoudigde niet alleen de beddencapaciteit doch ontstond er ook ruimte voor de Neonatale Intensieve Zorgenafdeling en tevens de pediatrische intensieve zorgenafdeling die later heelkunde kinderen zou worden. De verhuis in 1975 was een thans nog ondenkbaar waagstuk. Het volledig op zichzelf aangewezen zijn van de kinderartsen en verpleegkundigen, los van de ondersteunende diensten zoals heelkunde en anesthesie met enkel een radiologische satelliet en een pediatrisch laboratorium, heeft zeker geleid tot een versnelde emancipatie van de kinderarts met noodzakelijkerwijze het gevaar van een "splendid isolation". Een jaar na het begin van het "Gasthuisbergavontuur" namelijk op 1 oktober 1976 werd de Neonatale Intensieve Zorgenafdeling in gebruik genomen. Dat ene jaar is wel nodig
geweest om de idee NIZ vaste vormen te geven, een concept dat voor de Belgische normen althans geheel nieuw was alhoewel er in de buurlanden al enkele voorbeelden bestonden. Aanvankelijk waren er 18 bedden op de NIZ waarvan er 8 geschikt waren voor intensieve zorgen. Kinderen van minder dan 2000 g ook de fragielste prematuren werden vanuit de verloskamer op St Raphaël met reisincubator en ambulance naar deze nieuwe afdeling overgebracht terwijl de kinderen boven de 2000 g en zonder vitale problemen op de Neonatale zorgenafdeling van St Raphaël bleven. Toen echter de NIZ in Leuven wat bekendheid verwierf onder de regionale kinderartsenen verloskundigen, waren er meer en meer aanvragen voor transport. Zo liep het aantal transporten op tussen 1976 en 1980 van 69 tot 196. Op 01-09-1979 moesten we aldus wegens overbezetting van de dienst en gebrek aan respiratoren3 een beademd kind naar het St Luc ziekenhuis in Woluwe brengen.
Bij de materiele en organisatorische uitbouw is, naast professor Eggermont, Dr. De Bischop, die pas terug was van de neonatale intensieve eenheid van Prof. Koppe en Prof. De Leeuw in Amsterdam, van grote hulp geweest. De overgang van een Neonatale Zorgenafdeling naar de Neonatale Intensieve Zorgenafdeling betekende immers een belangrijke vernieuwing in de patiëntenzorg: bij de ondersteunende zorgen (infuus, zuurstof, sondevoeding, warmte) zijn er een aantal nieuwe technieken ontwikkeld die het mogelijk maakten een aantal vitale functies ten dele of geheel over te nemen. Voorbeelden zijn: CPAP, beademing, parenterale voeding. Aan de voornamelijk intermittente verpleegkundige en medische bewaking voegde men de permanente elektronische monitoring toe. Intensieve technieken waren wel al eens even op de E075 uitgeprobeerd (4) doch met weinig succes en steeds als een extreme rescue therapie. Voor de nieuwe eenheid NIZ was echter een gloednieuwe respirator aangekocht specifiek voor pasgeborenen de Bourns LS 104-150 een volumegecontroleerde, tijdsgestuurde, drukgelimiteerde ventilator. De eerste baby hiermee beademd werd geboren op 14-12- 1976 en overleefde.
De beginperiode van de NIZ was een grote leerschool met vallen en opstaan zowel voor de artsen als voor de verpleegkundigen. Ook in het buitenland ontbraken de maatstaven of voorbeelden. Voor de artsen moesten nieuwe technieken op punt gesteld worden zoals het aanbrengen van umbilicale en perifere arteriële catheters, het plaatsen van een thoraxdrain, van diepe centraal veneuze catheters, het transport van zieke borelingen, beademing, CPAP etc. Samen met de uitbouw van de NIZ werden de eerste kinderen voor intensieve zorgen getransporteerd vanuit de neonatale centra. Ook werden ziektebeelden, weinig gekend vóór de fase van intensieve zorgen ontdekt en herkend zoals de open ductus van Botalli, bronchopulmonale dysplasie, necrotiserende enterocolitis.
Voor de verpleging is het ook een vaak moeilijke periode van innovatie en ontwikkelen van nieuwe verplegingstechnieken geworden zonder dat er aangepast materiaal op de markt was of dat de verpleegkundigen hierin een specifieke opleiding hadden gekregen. Alleen maar het correct instellen van een monitor en het adequaat reageren op een alarm was een nieuwe opgave voor de verpleegkundigen waarmee ze in hun opleiding geenszins vertrouwd werden gemaakt. Het was de verdienste van de eerste hoofdverpleegster juffrouw Nolf, samen met de eerste adjuncten, een aantal technische verpleegaspecten tot procedures uit te bouwen. Tijdens deze leercurve hebben artsen en verpleegkundigen ook geleerd met elkaar samen te werken en op elkaar te vertrouwen op een wijze die contrasteerde met de toen nog sterk verticale verhouding tussen artsen en verpleegkundigen.
De tachtiger jaren zijn jaren van consolidatie geworden. Begin 1980 was er een basisstramien voor neonatale intensieve zorgen gelegd. Technieken en behandelingsmethoden waren vanuit buitenlandse centra meegenomen en ingevoerd. Nu was de tijd aangebroken voor diepgang. De nieuwe hoofdverpleegkundige, mevrouw Philips heeft hier in grote mate toe bijgedragen. Zij heeft samen met de adjuncten gezorgd voor een stimulerende teamgeest, een veralgemening van de professionele competentie en een grotere betrokkenheid bij de medische problematiek. In deze jaren is het aspect van de afdeling progressief gaan veranderen. Prematuren, aanvankelijk naakt en hulpeloos in hun incubator, werden aantrekkelijk aangekleed voor zover de bewaking en verzorging dit toelieten. Ouders werden gestimuleerd om op bezoek te komen en hun kind aan te raken. Later werden ook de grootouders en familie kortstondig binnen de afdeling toegelaten. Er kwam ook meer aandacht voor het comfort van de zieke of premature baby zowel wat het geluid en het licht betreft, als de positie waarin hij in zijn incubator werd gelegd.
Naargelang de overlevingskansen van deze risicoborelingen toenamen, werden ook de begeleiding en de opvolging van deze kinderen belangrijker. Reeds in oktober 1979 was een plan opgemaakt om risicokinderen verder te blijven opvolgen en een multidisciplinair evaluatieonderzoek te doen op 7 en 18 maanden. Naast de toenmalige stafleden neonatologie, professor Eggermont, Professor Jaeken en ikzelf waren ook professor Casaer en professor De Cock en Dr Daniëls, onderzoekspsycholoog bij deze studie betrokken.
De afdeling had onder impuls van professor Casaer een onderzoeksruimte binnen de muren welke door zijn tussenkomst ook werd uitgerust met een polysomnograaf en recorder en verschillende andere elektrofysiologische meetinstrumenten waarvan de near infrared spectrometrie (NIR) de laatste aanwinst is. Vanuit dit laboratorium zijn er verschillende onderzoekslijnen vertrokken die verband houden met de ontwikkelingsneurologie en ontwikkelingsbiologie. Meer bepaald het voedingsgedrag van de prematuur, voedingsakte en ademhaling, ademhalingsbewegingen bij belasting, hersencirculatie en electrofysiologie van de hersenen werden intens bestudeerd. Het laboratorium ontwikkelingsfysiologie heeft een tiental buitenlandse fellows aangetrokken wiens onderzoekswerk mede de faam van het laboratorium hebben bepaald (zie publicatielijst). Deze onderzoekstraditie wordt thans nog voortgezet voornamelijk door Dr. Gunnar Naulaers met zijn onderzoek over bedside evaluatie van de hersenoxygenatie door middel van Near infrared spectrometrie (NIR). Ook de klinische aspecten van de neonatale intensieve zorgen hebben externe fellows aangetrokken zoals Professor Van Haesebrouck in 1982-1983, en later Dr. Johan Smith en Dr. Naudé uit Zuid-Afrika, alsook een groot aantal seniorassistenten.
Aan de activiteiten van de neonatologie op twee campussen, namelijk materniteit en neonatale zorgen op St.-Rafaël en neonatale intensieve zorgen op Gasthuisberg kwam uiteindelijk een einde toen op 9 november 1982 de dienst verloskunde overkwam naar Gasthuisberg. Dit betekende dat de kleinste prematuren rechtstreeks vanuit de verloskamer konden opgenomen worden op de neonatale intensieve zorgenafdeling zonder ambulant vervoer. Ondertussen was de werkbelasting dermate toegenomen dat met nieuwjaar 1983 een afzonderlijke staande wacht van 3de tot 5de jaars assistenten in het leven werd geroepen. De dienst verloskunde van het U.Z. Gasthuisberg heeft onder leiding van Prof. Van Assche een efficiënt netwerk van samenwerkingsverbanden gelegd met de regionale verloskundige diensten waarbij het idee groeide dat het beter was de moeder in optimale omstandigheden in een materniteit met neonatale intensieve zorgen te brengen dan de foetus te vervoeren in onveilige en onstabiele omstandigheden. Sinds midden de tachtiger jaren zagen wij aldus de vraag naar extra-uteriene transporten dalen ten voordele van de intra-uteriene transporten of maternale transferts. De samenwerking verloskunde/neonatologie op Gasthuisberg werd verder geconcretiseerd door een gezamenlijke risicopatiënten bespreking vanaf september 1985. Voor het eerst werd de kinderarts neonatoloog rechtstreeks betrokken in het obstetrisch beleid van risicozwangerschappen. Voorheen bestond voornamelijk overleg tussen kinderartsen en verloskundigen onder vorm van een door Prof. Renaer in het leven geroepen klinischpathologische conferentie. Leuven is als het ware de trendsetter geweest voor de perinatologie in Vlaanderen.
Een belangrijke mijlpaal in de samenwerking tussen Vlaamse kinderartsen en verloskundigen is het congres in Knokke geweest, georganiseerd door de Vlaamse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie en de Vlaamse Vereniging voor Kindergeneeskunde op 23 en 24 mei 1986. Daar zijn tevens de grondslagen gelegd van het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie dat gegevens van moeder en kind van elke bevalling registreert.
Op 18/2/1985 kwam de toenmalige Minister van Volksgezondheid Dehaene op bezoek op de afdeling neonatologie. Tot dusver bestonden er geen normen voor de neonatale intensieve zorgen. De wetgeving van 21-08-1987 heeft de krijtlijnen vastgelegd waaraan een neonatale intensieve zorgenafdeling moest voldoen. Deze normen waren hoog voor de meeste neonatale intensieve zorgenafdelingen die ondertussen in België waren ontstaan. Men kan niet ontkennen dat de dienst Neonatologie Gasthuisberg enigszins model heeft gestaan bij deze nieuwe wetgeving. De wetgeving stuurde aan om de kinderen met een geboortegewicht onder de 1500 gram naar een neonatale intensieve zorgenafdeling over te brengen wat zeker een booster heeft gegeven zowel voor intrauteriene als extra-uteriene verwijzingen. Het officieel beddenaantal van de neonatologie was op dat ogenblik 26.
In deze periode van expansie van het patiëntenaanbod is er parallel een uitbreiding geweest van het aantal stafleden welke op neonatologie actief waren. Naast Prof. Eggermont, Prof. Jaeken en mezelf zijn Prof. de Zegher, Prof. De Boeck en Prof. Van Lierde het team komen vervoegen. Zij verzekerden, naast de uitbouw van hun subspecialisme, een deel van de dagtaken en de nachtwachten. De inbreng van Prof. de Zegher op wetenschappelijk vlak is zeer belangrijk geweest. Het onderzoek dat hij in de dienst verricht heeft betreffende de foetale perinatale endocrinologie was baanbrekend. De interesse die ondertussen in de dienst gegroeid was voor de endocrinologie ligt aan de basis van het onderzoekswerk dat Prof. Chris Vanhole later heeft verricht in het kader van haar proefschrift. Ook het onderzoek van Prof. Van Lierde betreffende de predictie van chronisch longlijden op basis van kliniek en radiologie is voor de afdeling een belangrijke meerwaarde geweest in het begrijpen en voorkomen van ernstige sequelen bij prematuren. Tot nu toe deelden de artsen supervisoren hun activiteiten op neonatologie met een subspecialisme of met hun activiteit op zuigelingen. In 1990 werd voor het eerst een vast staflid aangetrokken met de exclusieve opdracht neonatologie namelijk Prof. Chris Vanhole. Het verhoogd patiëntenaanbod, de toenemende complexiteit van de patiënten en de toenemende verbetering van de overleving van de allerkleinsten, hebben gemaakt dat zowel in patiëntenzorg als in infrastructuur de dienst aan een totale herombouw en organisatie toe was. Deze had plaats in 1991 met het oprichten van 16 intensieve ruimten. Om de zware belasting van het verplegend personeel te kunnen reduceren werd op 29/9/1991 enkele maatregelen getroffen waaronder het optrekken van het aantal full-time equivalenten tot 54,2 en het organiseren van de gemeenschappelijke patiëntenbespreking met de artsen waardoor de verpleegkundigen meer betrokken werden bij de medische problematiek. Deze architecturale ombouw en organisatorisch veranderingen hebben opnieuw geleid in het begin van de negentiger jaren tot een periode van ontwikkeling en diepgang. Op klinisch vlak leerden we de voordelen van het exogene surfactant kennen en werden de protocols van totale parenterale nutritie (TPN), conventionele en hoogfrequente beademing uitgewerkt onder meer dank zij de stimulerende aanwezigheid van fellow Dr. Johan Smith uit Tygerberg (Zuid-Afrika). De omkadering van de assistenten verbeterde door invoeging van een major/minor supervisor systeem (begin 1992), de intubatieoefeningen (april 1994) en de inscholingslessen voor nieuwe assistenten (november 1995). Het onevenwicht tussen het aantal kinderen aanwezig op de dienst (gemiddeld 32) en het officieel aantal bedden (26) werd uiteindelijk weggewerkt in oktober 1994 toen de afdeling officieel erkend werd voor 34 bedden. In mei 1996 is daar nog 1 bed bijgekomen tot het finale huidige beddenbestand van 35 bedden. Stafaanpassing werd een noodzaak toen Johan Smith naar Zuid-Afrika terugkeerde5, en het toenemend patiëntenaanbod. Dit nieuw staflid was Dr. Gunnar Naulaers. Deze periode is ook vruchtbaar aan verpleegkundige organisatie waarbij een team van opleiders in het leven werd geroepen om de nieuwe verpleegkundigen in te wijden in de steeds toenemende complexiteit van neonatale zorgen. Op 8 mei 1995 verscheen het eerste medicatieboek, een handleiding voor het correct toedienen van medicatie aan de allerkleinsten. Tevens werd door enkele verpleegkundigen een methode ontworpen om met een minimum aan volumebelasting 5 tot groot verdriet van stafleden en verpleegkundigen variabele hoeveelheden van krachtige medicatie toe te dienen. Deze methode zal op dit symposium worden voorgesteld. Ook werd stilaan het begrip comfort verpleging gestalte gegeven en uitgebouwd.
In deze mid-negentiger jaren is ook gewerkt naar netwerkvorming met de verwijzende ziekenhuizen. Als gevolg van het toenemende aantal intra-uteriene transporten was de vraag naar terugverwijzing naar het verwijzend ziekenhuis eens de intensieve zorgen achter de rug waren, erg groot. Anderzijds maakte de verbeterde overleving van de allerkleinsten de beddendruk opnieuw zeer hoog. In 1994 is dan ook resoluut gekozen om de intra-uterien of extra-uterien verwezen kinderen terug te brengen naar het verwijzend ziekenhuis zodra de fase van intensieve zorgen achter de rug was en het transport veilig kon gebeuren.. Tevens werd de kwaliteit van de transporten ook opgedreven doordat een staflid neonatologie, samen met de assistent, het transport verzekerden. De dienst beschikte daarenboven dankzij de serviceclub Kiwanis, vanaf 07- 11-1993, over een eigen ambulance: de babylance. Aldus werden de banden met de refererende verloskundigen en kinderartsen opnieuw zo nauw mogelijk aangetrokken. De evolutie van dit verwijzings- en terugverwijzingspatroon ziet u op figuur 2. In deze periode werd ook gestart met een neonatale nieuwsbrief die een informatie en uitwisselingsorgaan beoogt te zijn tussen de verschillende ziekenhuizen uit het netwerk. Het grote aanbod aan zeer jonge borelingen was de aanleiding voor Dr. Gunnar Naulaers om het protocol van aanpak voor deze micropremies uit te schrijven. Tevens werd op initiatief van Prof.Vanhole, door de verpleegkundigen, de sociale werkers, de verpleegsters van Kind en Gezin, een tweewekelijkse overlegvergadering georganiseerd om een betere kijk te krijgen op de begeleiding van probleemgezinnen.
Ondertussen was de activiteit per m² op de eenheid 321 dusdanig opgelopen dat naar nieuwe ruimten diende uitgekeken te worden. Daarbij werd in de eerste tijd de ruimte binnen de muren zoveel mogelijk als klinische ruimte ingericht waarbij we tot onze grote spijt verplicht waren de onderzoekruimte binnen de afdeling tot klinische ruimte om te bouwen.
Het oprichten van een N*-afdeling buiten de afdeling neonatologie, reeds in 1996 gepland, is pas in 2001 gerealiseerd kunnen worden in het kader van de ombouw van het Kinderziekenhuis. Echter nu reeds is een blauwdruk gemaakt van een verdere uitbreiding van de afdeling om te beantwoorden aan de kwaliteitsnormen van de huidige neonatale intensieve zorgen. Het uitzicht van de toekomstige afdeling gaat echter ten dele afhangen van het feit of we in de toekomst van de overheid al of niet de nodige subsidies zullen ontvangen om een nieuw Kinderziekenhuis in een complex van ziekenhuis voor vrouw en kind te bouwen. Ondertussen is er geopteerd voor een personeelsaanpassing en -uitbereiding. Er zijn heel wat nieuwe gezichten bijgekomen zowel bij het medisch als het verpleegkundig team. Binnen het trio van neonatologen die de medische staf zijn komen vervoegen in 1999, namelijk Dr. Veerle Cossey, Dr. Anne Debeer en Dr. Karel Allegaert, is er thans en in de volgende jaren telkens één ervan in buitenlandse opleiding. Ook werd er een budgettaire ruimte gecreëerd voor de verdere uitbreiding van de verpleegkundige bestaffing doch hier blijkt de beschikbaarheid van gespecialiseerde verpleegkundigen de grote “bottle neck” te zijn.
De afdeling neonatale intensieve zorgen heeft in zijn 25 jarig bestaan heel wat wel en wee gekend. De grenzen van de leefbaarheid, nog meer dan 750 gram en 26 weken in 1983, zijn stilaan opgeschoven tot 24 weken en minder dan 500 gram. Dit is geen specifieke optie geweest noch een formele instelling doch het is het gevolg van een gepersonaliseerde aanpak van de allerkleinsten met aandacht voor eigen levenswil en levensmogelijkheden. De ouders zijn meer en meer betrokken geworden bij de evolutie en ook bij de verzorging van hun kind. Veel is geïnvesteerd in het begeleiden van het stervende kind en zijn ouders en in de opvolging van het rouwproces.
Nieuwe technieken hebben een leercurve gehad en zijn dan opnieuw op de achtergrond gekomen ten voordele van de eigen problematiek van het kind los van zijn randapparatuur. De neonatale intensieve verpleegkunde heeft zich uitgebouwd tot een complexe, wetenschappelijk gefundeerde expertise die in zeer belangrijke mate heeft bijgedragen tot de verbeterde levenskansen van de extreme prematuur. De media die in toenemende mate geboeid waren door wat er in onze afdeling gebeurde hebben zeker de inzet en competentie van het neonataal team weten te appreciëren en naar het grote publiek te brengen.
Het dagboek van de neonatologie bevat ook enkele zwarte bladzijden verdeeld over deze 25 jaar die in het geheugen van iedereen gegrift blijven. Deze sombere momenten willen we niet vergeten Zij hebben ons telkens opnieuw bewust gemaakt van de extreme fragiliteit van onze patiënten en van de grote verantwoordelijkheid die elke schakelpersoon in de zeer lange en complexe verzorgingsketen heeft ten opzichte van het kind en van zijn ouders. We hebben eruit geleerd dat onachtzaamheid, onnauwkeurigheid, verwaarlozing van basisprincipes van hygiëne, die voor de meeste patiënten in het ziekenhuis vaak ongemerkt voorbijgingen, voor deze fragiele patiëntenpopulatie dramatische gevolgen kunnen hebben. Zij zijn telkens opnieuw de hefboom geweest voor verbeteringen.
Voor zover een bilan van 25 jaar werking waarbij ik me realiseer dat ik zeker belangrijke personen en gebeurtenissen over het hoofd heb gezien waarvoor ik mij excuses aanbied.
Het merendeel van de ouders is met een gezonde baby naar huis getrokken. Praktisch alle ouders hebben spijts alle bekommernissen, een goede herinnering overgehouden aan de afdeling neonatologie. Getuige hiervan zijn de ontelbare kaartjes die we mogen ontvangen bij elke jaarwisseling. Dit alles is slechts tot stand kunnen komen door de onverdroten inzet van enthousiaste verpleegkundigen en artsen, door de goede samenwerking met onze collega’s verloskundigen en regionale kinderartsen, met onze collega’s kinderartsen subspecialisten en met onze collega's chirurgen en, last but not least, door het onvoorwaardelijk vertrouwen van de ouders in hun kind en zijn verzorgers.
Aan allen mijn zeer oprechte dank.
Leuven 08-05-2001
Hugo. Devlieger
1 Met oprechte dank aan Professor Eggermont, Professor Vanhole, Dr. Naulaers en Mevrouw Philips voor de aanvullingen, suggesties en correcties bij de tekst
2 Deze paragraaf is afkomstig uit de voordracht van Professor Eggermont ter gelegenheid van 50 jaar Vlaamse Vereniging voor Kindergeneeskunde gehouden in Brussel op 28 april 2001
3 we hadden toen drie respiratoren waarvan 1 zelf ontworpen samen met de dienst biotechniek. Ooit moesten we twee kinderen met één beademingstoestel beademen.
4 de eerste CPAP dateert van 16-06-1976, de eerste beademing met de fles van Professor Van de Walle van 1975, en een Ångström volwassen beademingstoestel kwam ooit binnen op de E075 op 29-09-1976
