In UZ Leuven worden patiënten met een hormoongevoelige borstkanker niet getest op genetische variaties van het gen CYP2D6. Dat gen is nodig om het geneesmiddel tamoxifen in het lichaam om te zetten naar het actieve product endoxifen. In sommige centra gebeurde de test wel, omdat bepaalde studies uitwezen dat de test kan voorspellen of een behandeling met het geneesmiddel tamoxifen zal aanslaan. Een grote prospectieve internationale studie geeft daarover nu uitsluitsel: de resultaten tonen aan dat het niet zinvol is om op basis van een genetische CYP2D6-test een patiënt te behandelen met tamoxifen of een andere vorm van hormoontherapie.

Patiënten met een hormoongevoelige borstkanker reageren niet allemaal even goed op een behandeling met het geneesmiddel tamoxifen. Bij de meeste patiënten slaat de therapie goed aan, waarmee ook bijwerkingen gepaard gaan. Maar sommige patiënten hebben weinig baat bij de therapie of krijgen helemaal geen bijwerkingen. Een mogelijke verklaring voor dat verschil is de manier waarop het lichaam van een patiënt tamoxifen omzet in zijn actieve stof, endoxifen. Als de omzetting vlot gebeurt, wat bij 93% van de patiënten het geval is, is de concentratie van endoxifen in het lichaam voldoende hoog. In dat geval kan men verwachten dat de behandeling goed aanslaat en dat er iets meer bijwerkingen zullen zijn. Bij de groep patiënten bij wie de omzetting van tamoxifen naar endoxifen niet goed verloopt, werkt de behandeling niet goed. In België is dat jaarlijks bij gemiddeld 7% van de 8 500 hormoongevoelige borstkankerpatiënten het geval.

Artsen en onderzoekers buigen zich al een tijdje over de vraag of het zinvol is om aan die patiënten een behandeling met tamoxifen te geven. De omzetting van tamoxifen naar endoxifen in het lichaam wordt bepaald door het gen CYP2D6: door een genetische test te doen, zou men kunnen voorspellen wie er al dan niet goed reageert op een behandeling met tamoxifen.

5 jaar in 15 ziekenhuizen

Eerdere studies toonden een duidelijk verband aan tussen het gen CYP2D6, de concentratie van endoxifen in het bloed en een slechte therapierespons op tamoxifen. Maar latere studies spraken dat verband dan weer tegen. Een verklaring voor die tegenstrijdigheid lag in het feit dat de studies retrospectief te werk gingen: onderzoekers deden een vaststelling en gingen terug in de tijd om de vaststelling te controleren. Er was nood aan een prospectieve studie, waar men een patiëntengroep volgt gedurende een bepaalde tijd en vervolgens naar de uitkomst kijkt.

Een groot prospectief onderzoeksproject onder leiding van prof. dr. Patrick Neven en het multidisciplinair borstcentrum van UZ Leuven volgde 297 borstkankerpatiënten tijdens hun behandeling met tamoxifen in 15 verschillende ziekenhuizen in België en Zwitserland, tussen 2009 en 2014. De resultaten van het onderzoek zijn duidelijk: ze tonen aan dat er wel een verband is tussen endoxifen en de individuele variaties in het gen, maar dat die variaties geen weerslag hebben op de therapierespons van tamoxifen. Endoxifen in het bloed bepalen of een genetische test uitvoeren heeft dus geen nut voor de beslissing om al dan niet een patiënt te behandelen met tamoxifen, dat al meer dan 40 jaar gebruikt wordt bij hormoongevoelige borstkanker.

Deze studie verscheen online in Clinical Cancer Research, het tijdschrift van de American Association of Cancer Research. Het onderzoek was mogelijk dankzij de financiële steun van Kom op tegen Kanker.