Professor Pieter De Somer: van penicilline in Canada tot rector in Leuven

08-03-17

Prof. dr. Pieter Desomer

Prof. dr. Pieter Desomer

Em. prof. dr. Alfons Billiau neemt ons tijdens deze Histaruz-lezing mee naar de jaren vijftig van vorige eeuw. Als student geneeskunde werkte Alfons Billiau in het indertijd nogal afgeleefde laboratorium van fysiologie in de Dekenstraat. Als hij ’s nachts thuiskwam van zijn werk in het lab, kwamen zijn medestudenten thuis van het uitgaansleven. Ze vertelden over een charismatische jonge professor geneeskunde, die bevlogen lezingen hield en daarna met de studenten een pint ging drinken. En vooral: die jonge prof, genaamd Pieter De Somer, had zopas een gloednieuw en modern laboratorium laten bouwen in Leuven: het Rega-instituut. Wie zou daar nu niet willen werken? Professor Alfons Billiau: “Ik heb naar mijn medestudenten geluisterd en ben in 1959 bij Pieter De Somer gaan werken in het Rega-instituut. Een beslissing die de rest van mijn leven heeft bepaald. Uiteindelijk zou ik een kwarteeuw lang met hem samenwerken.”

Professor De Somer werd zijn baas en professor Billiau kon als immunobioloog vanop de eerste rij meemaken welke boeiende ontwikkelingen en ontdekkingen er gebeurden in het Leuven van de naoorlogse jaren. De Somer had zich begin jaren veertig al verdiept in de productie van penicilline, dat het nieuwe wondermiddel was tegen levensbedreigende infecties. De Belgische penicillineproductie werd een commercieel succes en was in 1954 een van de drijfveren voor het Waalse bedrijf R.I.T. om geld te investeren in de bouw van een hypermodern onderzoekslab in Leuven: het Rega-instituut.

Poliovaccin

Een van de eerste grote projecten van het Rega-instituut was de productie van een vaccin tegen kinderverlamming: een voltreffer dat het instituut meteen ook internationaal op de kaart zette. In 1956 al was België niet meer afhankelijk van andere landen voor zijn bevoorrading van het poliovaccin. Het hele land kreeg inspuitingen tegen die gevaarlijke aandoening. En toen moest het grootste commerciële succes van het Rega-instituut nog komen: de ontdekking van het antibioticum virginiamycine, dat in die tijd massaal werd toegevoegd aan veevoeder. Naast de aandacht voor antibiotica kwam er ook interesse voor geneesmiddelen tegen virusziekten. Vanaf 1964 werkte professor Billiau mee aan het interferonproject, waarvoor de verwachtingen na de vorige medische doorbraken hooggespannen waren.

“Interferon is een eiwit dat ons lichaam zelf aanmaakt en dat verdedigt tegen virusinfecties. De onderzoekers hoopten met de ontdekking ervan op een universeel middel tegen virussen, inclusief kankervirussen. Maar interferon is voor virusziekten niet geworden wat penicilline was voor bacterieziekten”, vertelt professor Billiau. “De Somer was gefascineerd door het zoeken naar medische doorbraken of zogenaamde wondergeneesmiddelen. Geneesmiddelen waarvoor geen honderden patiënten of ingewikkelde methodes nodig zijn om aan te tonen dat ze werken. Als het echt goed is, weet je direct dat het werkt, zei hij altijd.”

Em. prof. dr. Alfons Billau

Internationale netwerken

Dat De Somer niet alleen als zakenman en directeur, maar ook als wetenschapper bijzonder gedreven was, zag professor Billiau bevestigd in een correspondentie waarin hij zich verdiepte toen hij met pensioen ging. Tussen 1946 en 1952 maakte Pieter De Somer reizen naar Canada, waar hij een lab bezocht dat ook penicilline produceerde. De gedetailleerde brieven die hij daarover schreef met de Canadese onderzoekers toont aan dat De Somer zich vastbeet in de zoektocht naar de productie van penicilline op grote schaal. En dat hij dat niet alleen als opdrachtgever deed, maar zelf mee in de potten stond te roeren op de werkvloer. Het feit dat hij internationale samenwerkingen onderhield, in een tijd waarin een reis naar Canada een heuse onderneming was, toont ook hoezeer hij een man was die als vanzelfsprekend netwerken opbouwde.

“Als hij iets ondernam, was het succesvol”, vertelt professor Alfons Billiau. “Dat een Waals bedrijf investeerde in de bouw van een onderzoeksinstituut in Leuven, hebben we daarna nooit meer gezien. Hij had steun bij de Franstaligen én bij de Vlaamse beweging. Hij was een echte diplomaat. Hij kon ook kordaat zijn, maar hij wachtte zijn tijd af om kordaat te zijn. Hij had het gezag en de flair om knopen te kunnen doorhakken zonder iemand voor het hoofd te stoten. Hij was een persoonlijkheid met charme en verfijning: als hij in een gezelschap verscheen, veranderde de sfeer. En hij was een gewiekst onderhandelaar: dat had hij geleerd uit zijn samenwerking met de bedrijfswereld. De commerciële successen die hij boekte en zijn streven naar onafhankelijkheid zorgden ervoor dat we ook vandaag nog een Rega-instituut van wereldniveau hebben.”