Baby’s moeten na de geboorte hun motoriek onder controle leren krijgen. Ze zullen moeten leren omgaan met de zwaartekracht, ze moeten leren zich te stabiliseren en ze zullen in verschillende houdingen hun evenwicht moeten vinden. Ze moeten sterker worden en coördinatie leren. Prematuur geboren kinderen zijn in het nadeel ten opzichte van op tijd geboren kinderen.

De foetus kan intra-uterien (in de baarmoeder) heel wat bewegingservaring opdoen:

  • via de bewegingen van de moeder krijgt het kind heel wat houdings- en bewegingservaringen aangeboden. Dit valt weg in de couveuse. 
  • In de beschermde omgeving van de baarmoeder is het makkelijker om te bewegen dan in de couveuse waar de zwaartekracht een grote invloed heeft op het kind. 
  • De baby krijgt minder plaats naarmate de zwangerschap vordert. Daardoor wordt hij meer in de buiging gebracht en kunnen de buigspieren geoefend worden. De prematuur wordt door de zwaartekracht juist meer in strekking gebracht, zodat de buigspieren moeilijker geoefend kunnen worden. Een goed evenwicht tussen de buig- en strekspieren is echter belangrijk om tot een goede motorische ontwikkeling te komen. 

De prematuur (alsook de baby met een moeilijke, ongewone start) mist dus een aantal kansen en wordt geconfronteerd met een aantal nadelen:

  • veel maar vaak onprettige prikkels 
  • soms langdurige imobilisaties in dezelfde houding o.a. wegens beademing, perfusies… 
  • inwerking van de zwaartekracht
  • geen begrenzing meer van de ruimte, de bewegingen zijn nog niet onder controle en zijn nog vaak uitschietend. De baby kan dit als bedreigend ervaren en angst krijgen om te bewegen. 

We weten dat prematuren of baby's met een moeilijke start het moeilijker kunnen hebben met hun motorische ontwikkeling. Extra aandacht voor begeleiding en aangepaste stimulatie zijn belangrijk.

Het belang van stimulaties wordt reeds sedert jaren erkend en heel wat stimulaties worden nu als vanzelfsprekend gegeven (schapenvacht gebruik, muziek, tutje, strelingen…). Ouders worden aangemoedigd om hun kindje aan te raken en te kangoeroeën. Voor de meeste kinderen zullen deze stimulaties voldoende zijn. Sommigen gaan echter meer aanpassingsproblemen hebben en gaan zich vb. makkelijk overstrekken, snel schrikken, hevige en ongecontroleerde bewegingen vertonen. Dit kan een normaal omgaan met het kind bemoeilijken en de ouders erg onzeker maken. Deze kinderen kunnen baat hebben bij vroegtijdige neuro-motorische stimulaties. Een deel van deze kinderen kunnen een blijvende handicap vertonen en zullen gedurende langere tijd kinesitherapie nodig hebben. Dit is echter niet voor allen het geval en sommige tonus-afwijkingen kunnen van voorbijgaande aard zijn.

Neuro-motorische stimulaties kunnen uiteraard niet gestart worden zolang het kind ziek is en de parameters nog te instabiel zijn. Zodra er een zekere stabiliteit optreedt, kan men rustige stimulaties starten. Tijd en intensiteit wordt individueel aangepast afhankelijk van tolerantie van elk kind apart.