Historiek
De beginjaren van de hepatologie
De geschiedenis van de afdeling hepatologie binnen de universitaire ziekenhuizen Leuven van de KUL is enigszins merkwaardig en uniek doordat het de enige dienst hepatologie is in België die van het ontstaan zich los heeft ontwikkeld van de gastroenterologie. Onder hepatologie verstaat men 3 onderwerpen: namelijk de studie van de leverziekten, de galblaas en de galkanalen en de alvleesklier.
De ontwikkeling van de geneeskunde veroorzaakte na de 2e wereldoorlog een stroomversnelling zowel van de theoretische kennis van het menselijk lichaam als van de pathologie, de onderzoeksmethoden en de mogelijkheden tot behandeling. Het werd snel duidelijk dat de opleiding en de klinische toepassingen niet door één discipline konden uitgewerkt worden. Hepatologie was 50 jaar geleden een kleine subspecialiteit zonder veel mogelijkheden. Specifiek hepatologische onderzoeken waren zeer schaars en de eerste levertesten kwamen slechts beschikbaar vanaf 1953. Onderzoek van de galwegen gebeurde in de tijd meestal ter gelegenheid van een heelkundige interventie en de alvleesklier was een zeer moeilijk te onderzoeken orgaan.
Eén van de voornaamste tekenen van leverziekten is geelzucht veroorzaakt door een hoge bloedspiegel van bilirubine. De dosage van bilirubine werd in de eerste helft van de 20e eeuw op punt gesteld. Als de mogelijkheid tot stand kwam om door chromatografie de bloedeiwitten te scheiden en te doseren, werd een heel nieuw onderzoeksveld geopend. Zo stelde men de stijging van gamma globulines vast bij aanslepende leverziekten.
Het eerste wetenschappelijk onderzoek in de hepatologie gebeurde te Leuven door Jan De Groote. Dit gebeurde onder leiding van Prof. Dr. J. Vandenbroucke in zijn laboratorium voor fysiopathologie. Hij verrichte onderzoek naar SH-groepen en glutathion bij leverpatiënten door middel van een electrochemische methode die ingenieur Pottiez werkzaam bij UCB op punt had gesteld. Een jaar tevoren was er onderzoek verricht naar glutathion door Dr. Ernst Merlevede verbonden aan het H. Hartziekenhuis te Oostende in samenwerking met Mr. Poittez, naar aanleiding van een zwavelkoolstof-intoxicatie in een UCB fabriek in Zwijnaarde. In die tijd verscheen in de “The Lancet” een artikel dat mogelijks een gunstig effect van glutaminezuur beschreef bij levercoma. Dit werd door Jan De Groote toegepast bij enkele patiënten onder strikt toezicht in een afzonderingskamer, een soort voorloper van Intensieve zorgen, met succes. Door allerlei moeilijkheden echter, o.a. de eerste fles van de stof ontplofte tijdens de sterilisaties, werd deze behandeling gestaakt. Het verslag van deze behandeling werd medegedeeld op de “Colloquia voor gastro-enterologie” gepubliceerd in het Belgische Tijdschrift voor geneeskunde in 1954. Kort nadien verscheen Aureomycine op de markt als behandeling van chronisch levercoma en werden er wisseltransfusies uitgevoerd. Bij zorgvuldig uitgevoerde wisseltransfusies waren de resultaten vrij behoorlijk maar elke behandeling eiste reusachtige hoeveelheden bloed en hele busladingen bloeddonoren werden daarvoor naar Leuven gebracht.
Jan de Groote ging zich nadien verder bekwamen bij Prof. Dame Sheila Sherlock in het Hammersmith Hospital te London. Zijn aandacht ging vooral naar de studies over bewustzijnstoornissen bij leverpatiënten. Dit resulteerde uiteindelijk in zijn thesis voor geaggregeerde van het hoger onderwijs in 1959. In 1962 ontstond de belangstelling voor de histologie van de lever. Ondertussen was Prof. Dr. V. Desmet hier te Leuven benoemd in de pathologie. In 1961 werd Gaston Vantrappen verantwoordelijk voor maag-darmziekten zodat in 1963 er te Leuven 2 afdelingen ontstonden, namelijk de dienst hepatologie en de dienst Gastroenterologie.
Verdere ontwikkeling van de dienst Hepatologie in een internationaal kader:
Internationale bekendheid verwierven Jan De Groote en Valeer Desmet door hun voorstelling van hun werk: “specifieke leverregeneratie bij chronische leverpathologie” in 1962 in Montecatini (Italië). Op het Europees congres voor gastro-enterologie te Göteborg (1967) werd aan een kleine groep hepato-pathologen, waaronder Jan De Groote en Valeer Desmet gevraagd om klaarheid te brengen in het classificatie van chronische hepatitis. Dit leidde tot een alom gekend artikel in “The Lancet”, omtrent de definitie van chronische hepatitis. Dit was de eerste samenwerking tussen verschillende internationale hepatologen en pathologen en was de basis van het ontstaan van de huidige GNOME. In 1949 organiseerde de Noord-Amerikaanse hepatologen voor het eerst de A.A.S.L. (Amercian Association for the study of the liver). In Europa werden de hepatologen voor het eerst samengebracht te Perugia in 1957 door de Italiaanse Professor Dominici. Een jaar later, in 1958, werd de International Association for the Study of the Liver (I.A.S.L.) gesticht. In 1956 kreeg Jan De Groote de opdracht om een voorstel te doen van reglementen voor de I.A.S.L. vergadering die doorging in Brussel-Leuven. Daar groeide uiteindelijk het idee om een nieuwe vereniging te stichten die veel minder statisch en formeel was en die de jonge researchers aantrok. De eerste vergadering van de EASL ging door te Marburg/Lahn in april 1966. De E.A.S.L. groeide verder en is thans één van de meest toonaangevende wetenschappelijke verenigingen in de hepatologie.
De grote doorbraak in de hepatologie uiteindelijk was de levertransplantatie. In 1984 werd deze techniek voorbereid te Leuven. Het transplantatieprogramma te Leuven werd uiteindelijk gestart in 1989.
Professoren emiriti die werkzaam waren in IG Hepatologie
![]() |
Prof. Em. Jan de Groote 01-10-1956 tot 30-09-1990 |
![]() |
Prof. Em. Johan Fevery 01-10-1969 tot 30-11-2009 |
![]() |
Prof. Em. Sing Hiem Yap 01-10-1989 tot 30-09-2008 |



