Wat is anesthesie?

“Dokter, ik zal toch nog wakker worden?” is een vraag die patiënten vaak stellen aan de anesthesist. Het besef dat ze tijdens de operatie de controle over het lichaam verliezen en in handen moeten leggen van een arts die men niet goed kent, veroorzaakt bij veel patiënten een grote angst.

Maar wat houdt een anesthesie nu eigenlijk in?

Strikt genomen betekent de term anesthesie “ongevoelig zijn voor pijn”. Maar anesthesie is veel meer dan enkel pijncontrole en kunstmatige slaap. Als we woorden moeten kiezen om te beschrijven wat een anesthesist nu werkelijk doet, dan zijn dat zonder twijfel de woorden “bescherming” en “stabilisatie” van de levensbelangrijke functies van het lichaam.

Waarom die bescherming en stabilisatie?

Tijdens de operatie

Het is uiteraard de bedoeling van elke operatie om de patiënt te genezen of beter te maken. Maar een operatie is ook een ontwrichtende handeling en ervaring. Het lichaam krijgt tijdens een operatie heel wat verstorende signalen te verwerken. Daarop reageert het lichaam onmiddellijk, net zoals bij ziekte of een ongeval.

Verstorende signalen tengevolge van het kwetsen van het lichaam door de chirurg

Vanuit de operatieplaats worden er verschillende verstorende signalen naar de rest van het lichaam gestuurd. Het lichaam reageert daarop met een zogenaamde “stress reactie”.

Enerzijds is er een signaal doorheen de zenuwen naar de hersenen dat duidelijk maakt dat er ergens schade is veroorzaakt: dat signaal is de pijn die u voelt. Pijn voelen kan mentaal en lichamelijk belastend (invloed op hart, longen, enzovoort) zijn. Het is niet de bedoeling dat de pijn ten gevolge van een operatie de patiënt nog meer belast. Daarom zal de anesthesist zorgen voor een zo volledig mogelijke pijnverdoving.

Anderzijds vertrekken er vanuit het geopereerde gebied nog tal van andere signalen rechtstreeks via de zenuwen naar allerlei andere organen en zetten die onder hoogspanning: de pols gaat sneller, de bloeddruk stijgt. Ter hoogte van het geopereerde gebied worden daarenboven nog tal van chemische stoffen gevormd die door het bloed worden opgenomen en zich doorheen heel het lichaam verspreiden. Ook dit mechanisme verstoort de werking van veel organen en regelsystemen.

Het gevolg van die verstorende factoren is dat de patiënt pijn heeft, en zich zwak en vermoeid voelt na de operatie.

Het is de taak van de anesthesist om de patiënt hier met een aangepaste narcose overheen te helpen.

De positionering op de operatietafel

Doorgaans moet de patiënt voor meerdere uren bewegingsloos in een onnatuurlijke positie op de operatietafel liggen. Door de constante druk op huid, spieren en zenuwen kan beschadiging van deze structuren optreden (bijvoorbeeld doorligwonden). De anesthesist tracht die schade te vermijden of zoveel mogelijk te beperken. Hij zorgt er ook voor dat de positionering op de operatietafel geen negatieve invloed heeft op de bloedsomloop en de werking van de longen.

Bijkomende Ingrijpende handelingen tijdens de operatie.

Tijdens een operatie moet de chirurg vaak ingrijpende handelingen uitvoeren om zijn doel te bereiken: bloedvaten afklemmen, organen uit de weg duwen, delen van organen verwijderen, een long of zelfs het hart even stilleggen. Het is zonder meer duidelijk dat dit een belangrijke weerslag kan hebben op het functioneren van het lichaam als geheel.

Tijdens die kritische momenten zorgt de anesthesist ervoor dat de bloedsomloop toereikend blijft, dat de longen voldoende zuurstof kunnen blijven opnemen, dat de lever en nieren goed blijven werken, dat het bloed voldoende stolt enz. Daardoor wordt het voor de chirurg ook mogelijk om ingrepen te doen die normalerwijze onmogelijk zouden zijn, omdat ze het leven van de patiënt in gevaar zouden brengen.

Tijdens de operatie is de patiënt dus volledig afhankelijk van de anesthesist, en dat niet alleen voor de narcose in strikte zin, maar ook voor het behoud van alle lichaamsfuncties.

Na de operatie

De anesthesist heeft nu de taak om de patiënt over te schakelen van een situatie die hij als arts volledig onder controle had tijdens de operatie, naar een situatie waar het lichaam van de patiënt opnieuw meer en meer zelfstandig moet gaan functioneren. De toediening van anesthesieproducten wordt gestopt, en andere medicatie wordt opgestart. Het duurt echter nog een tijdje voordat de medicamenten die tijdens de narcose werden gebruikt volledig zijn uitgewerkt, met mogelijk een verminderd bewustzijn en verminderde ademhaling tot gevolg de eerste uren na de operatie. Ook pijnstillers die na de operatie worden toegediend kunnen een invloed hebben op het bewustzijn en de ademhaling.

Bovendien betekent het einde van de operatie niet dat het lichaam al volledig genezen is: er is gewerkt aan organen (bijvoorbeeld de longen) en structuren (bijvoorbeeld de buikwand) zodat ademen moeilijker kan zijn, er zijn bloedvaten doorgesneden wat een risico op nabloeden tot gevolg heeft. Het lichaam zal meerdere dagen nodig hebben om zich te herstellen en dus een nieuwe stabiliteit te verwerven.

De patiënt is dus na de operatie nog steeds in een zeer onstabiele situatie die nauwlettend moet geobserveerd worden. Vandaar dat de patiënt na de operatie naar de ontwaakzaal wordt gebracht waar hij onder bewaking en in behandeling blijft tot zijn toestand gestabiliseerd is, en het lichaam opnieuw voldoende functioneert (goede ademhaling, bloeddruk en pijn onder controle, voldoende wakker).

Het verblijf in de ontwaakzaal varieert van een half uur tot meerdere uren, afhankelijk van de ernst van de operatie en de toestand van de patiënt. Bij zware operaties en bij zwaar zieke patiënten opteert de anesthesist soms voor een vertraagd ontwaken: de anesthesie wordt dan geleidelijk aan stopgezet. Als de anesthesist vermoedt dat de patiënt binnen de 24 uur niet voldoende kan gestabiliseerd worden, zal de patiënt meteen na de operatie naar de intensieve zorgenafdeling worden gebracht.

In de ontwaakzaal zorgen hoog opgeleide verpleegkundigen onder leiding van een continu aanwezige anesthesist voor de geopereerde patiënt. Pas als de anesthesist die verantwoordelijk is voor de postoperatieve zorgeneenheid ervan overtuigd is dat de geopereerde patiënt terug in een voldoende stabiele conditie is, en geen intensieve bewaking met allerlei apparatuur meer nodig heeft, kan de patiënt naar zijn kamer terugkeren. Het is immers de bedoeling dat op de kamer de patiënt als het ware zichzelf kan bewaken en bij ongemak op de bel kan drukken om de verpleegkundige te roepen.