Congenitale cardiologie
Ventrikelseptumdefect
Wat is een ventrikelseptumdefect?
Hoe wordt een ventrikelseptumdefect behandeld?
Waar moet een patiënt met een ventrikelseptumdefect op letten?
Wat is een ventrikelseptumdefect?
VSD, of voluit ventrikelseptumdefect, is een gaatje in het tussenschot dat de twee hartkamers (ventrikels) scheidt. Het bloed kan rechtstreeks van de linkerkamer naar de rechterkamer stromen (=links-rechts shunt).
Wanneer de opening groot is, stroomt een groot gedeelte van het bloed in de linkerkamer via het gat naar de rechterkamer. Op deze manier worden hart en longen overbelast.
Afhankelijk van de grootte van het VSD worden ze ingedeeld in 3 groepen:
-
klein VSD
-
matig groot VSD
-
groot VSD
Verder kan er een opdeling worden gemaakt volgens de plaats van het VSD:
-
perimembraneus
-
musculair
-
subarterieel
Hoe wordt een ventrikelseptumdefect behandeld?
Het natuurlijk verloop en de behandeling van een VSD hangt af van de grootte en lokalisatie van het defect:
-
Kleine defecten: kleine VSD’s sluiten vaak spontaan. In 75 procent van de gevallen sluit het VSD voor de leeftijd van 10 jaar. Daarom wordt bij kleine VSD’s een afwachtende houding aangenomen.
- Matig grote defecten: Indien er geen klachten en een normale druk in longslagader zijn, kan dit type van VSD in principe conservatief gevolgd worden. Toch kunnen er complicaties optreden die chirurgisch ingrijpen noodzakelijk maken.
-
Grote defecten: Dit type van VSD moet chirurgisch of via hartcatheterisatie gesloten worden. Deze ingreep gebeurt meestal op jonge leeftijd.
Waar moet een patiënt met een ventrikelseptumdefect op letten?
Het is belangrijk dat een patiënt met een ventrikelseptumdefect een aantal algemene richtlijnen opvolgt om de gezondheidstoestand optimaal te houden:
- Follow-up: Regelmatige controle is noodzakelijk om de evolutie nauwkeurig op te volgen. In principe wordt een controle om de 1 à 2 jaar aangeraden. Enkel bij kleine VSD's zonder andere afwijkingen is een opvolging om de 3 à 5 jaar voldoende. In sommige situaties zal uw (kinder)cardioloog bepalen om sneller op controle te komen. Indien volgende klachten optreden moet er contact worden opgenomen met de behandelende (kinder)cardioloog: duizeligheid, kortademigheid, hartkloppingen, pijn op de borst, flauwvallen, versnelde vermoeidheid, dikke voeten en benen.
- Fysieke activiteiten
- Tandartsbezoek en endocarditispreventie: preventie van endocarditis is belangrijk tot 6 maanden na de sluiting of wanneer er restafwijkingen zijn na een ingreep.
- Erfelijkheid: de laatste jaren is veel meer bekend geworden over de erfelijke factoren die een rol spelen bij het ontstaan van aangeboren hartafwijkingen. Over het algemeen kan gesteld worden dat het risico van overerfbaarheid van aangeboren hartaandoeningen klein tot onbestaande is: bij de man 3 tot 5 procent en bij de vrouw 5 tot 8 procent. Wanneer de aangeboren hartaandoening daarentegen kadert binnen een familiale belasting of gepaard gaat met andere aangeboren problemen is het belangrijk dat steeds erfelijkheidsadvies wordt ingewonnen.
- Zwangerschap en anticonceptie
- Beroepskeuze, tewerkstelling en verzekerbaarheid
