Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

Pulmonaalklepstenose

Wat is een pulmonaalklepstenose?
Hoe wordt een pulmonaalklepstenose behandeld?
Waar moet een patiënt met een pulmonaalklepstenose op letten?

Wat is een pulmonaalklepstenose?

De pulmonaalklep bewaakt de overgang van de rechterkamer naar de longslagader. Wanneer deze klep haar taak niet goed vervult omdat ze kleiner is dan normaal, spreken we van pulmonaalklepstenose (vernauwing).

Illustratie pulmonaalklepstenose

Hoe wordt een pulmonaalklepstenose behandeld?

Een milde pulmonaalklepstenose hoeft op zich geen behandeling. Indien de vernauwing toeneemt, en leidt tot een ernstige stenose, is behandeling wel noodzakelijk. Ballondilatatie is de standaard methode van behandelen geworden.

Waar moet een patiënt met een pulmonaalklepstenose op letten?

Het is belangrijk dat een patiënt met een pulmonaalklepstenose een aantal algemene richtlijnen opvolgt om de gezondheidstoestand optimaal te houden:

  • Follow-up: regelmatige controle is noodzakelijk om de evolutie nauwkeurig op te volgen. Bij een milde pulmonalisklepstenose volstaat een controle om de 3 à 5 jaar. Bij een matige of ernstige vernauwing wordt een controle om de 1 à 2 jaar aangeraden. In sommige situaties zal uw (kinder)cardioloog bepalen om sneller op controle te komen. Indien volgende klachten optreden moet er contact worden opgenomen met de behandelende (kinder)cardioloog: duizeligheid, kortademigheid, hartkloppingen, pijn op de borst, flauwvallen, versnelde vermoeidheid, dikke voeten en benen.
  • Fysieke activiteiten
  • Tandartsbezoek en endocarditispreventiepreventie van endocarditis is belangrijk bij de pulmonaalklep wanneer er ooit een interventie (ballondilatatie of chirurgische ingreep) gebeurde.
  • Erfelijkheid: de laatste jaren is veel meer bekend geworden over de erfelijke factoren die een rol spelen bij het ontstaan van aangeboren hartafwijkingen. Over het algemeen kan gesteld worden dat het risico van overerfbaarheid van aangeboren hartaandoeningen klein tot onbestaande is: bij de man 3 tot 5 procent en bij de vrouw 5 tot 8 procent. Wanneer de aangeboren hartaandoening daarentegen kadert binnen een familiale belasting of gepaard gaat met andere aangeboren problemen is het belangrijk dat steeds erfelijkheidsadvies wordt ingewonnen.
  • Zwangerschap en anticonceptie
  • Beroepskeuze, tewerkstelling en verzekerbaarheid