Het Brugada syndroom
Erfelijk risico en genetisch onderzoek
Het Brugada syndroom: een elektrische ziekte van het hart
In het Brugada syndroom treedt er een verstoring op van de elektrische prikkels in het hart. Het hart is een spier die bloed door het ganse lichaam pompt. Deze pomp wordt elektrisch aangedreven. De elektrische activiteit in het hart kan bekeken worden met een electrocardiogram (ECG). In het Brugada syndroom treedt er een probleem op met deze elektrische prikkels waardoor een typisch 'Brugada-beeld' kan gezien worden op het ECG. Dit afwijkend ECG-patroon bij het Brugada syndroom moet soms uitgelokt worden door een bepaalde stof via een armader toe te dienen.
Figuur 1. Het pijltje duidt het typische afwijkende ECG patroon van het Brugada syndroom aan.
Het Brugada syndroom kan leiden tot ritmestoornissen met symptomen zoals hartkloppingen, flauw vallen, en soms plots overlijden. De symptomen kunnen zich voordoen op alle leeftijden. Sommige personen met een afwijkend ECG zullen nooit symptomen ontwikkelen.
Nadat de diagnose van het Brugada syndroom gesteld is, zullen een aantal andere onderzoeken worden uitgevoerd om uit te maken of een behandeling dient ingesteld te worden. Een behandelingsoptie is het plaatsen van een automatische defibrillator (ICD). Een ICD is een toestel dat zoals een pacemaker onder de huid wordt ingeplant. Een draadje loopt vanuit het toestel naar het hart waar het een elektrisch shock kan afleveren zodra dit nodig is. Het plaatsen van een ICD is niet nodig bij alle patiënten met een Brugada syndroom. Deze mogelijkheid zal door de behandelende hartspecialist geëvalueerd worden.
Erfelijkheid
Alvorens in te gaan op de erfelijkheid van Brugada syndroom volgt hierna wat uitleg over erfelijkheid in het algemeen.
Het lichaam is opgebouwd uit cellen. In de kern van de cel bevindt zich bijna al het erfelijk materiaal, in wat het DNA wordt genoemd. Door opeenvolgende celdelingen wordt het DNA doorgegeven aan alle dochtercellen. Tijdens de celdeling neemt het DNA de vorm aan van chromosomen. Bij de mens bevatten de lichaamscellen met celkern 23 paren chromosomen, dus 46 chromosomen. Elk chromosoom is drager van een reeks genen die de informatie bevatten voor onze erfelijke eigenschappen. Een gen is dus een stukje DNA dat een welbepaalde rol vervult en dat aan de basis kan liggen van een bepaalde eigenschap. Het totaal aantal genen bij de mens wordt geschat op meerdere tienduizenden.
Bij elke geslachtelijke voortplanting gaat van elk chromosomenpaar van de vader en van de moeder één chromosoom naar de volgende generatie. Dit gebeurt via de bevruchting van een eicel van de vrouw door een zaadcel van de man, waarbij eicel en zaadcel - in tegenstelling tot lichaamscellen - slechts 23 chromosomen bevatten, namelijk één chromosoom van elk van de 23 moederlijke en 23 vaderlijke chromosomenparen. Door de samensmelting van eicel en zaadcel wordt het erfelijk materiaal van beide voortplantingscellen samengevoegd. De bevruchte eicel bevat dan opnieuw 23 chromosomenparen, waarbij ieder paar bestaat uit een vaderlijk en een moederlijk chromosoom. Ouders geven dus ieder de helft van hun DNA door aan ieder van hun kinderen.
Erfelijkheid in het Brugada syndroom
Tot op heden kent men slechts één gen (SCN5A) dat betrokken is bij het Brugada syndroom. Mogelijks wordt het Brugada syndroom ook veroorzaakt door afwijkingen in nog andere, niet gekende genen.
Het SCN5A gen bevat informatie voor het functioneren van de normale elektrische activiteit van de hartspier. Een foutje in dit gen (mutatie) heeft tot gevolg dat een bepaalde elektrische stroom (de natriumstroom) foutief werkt waardoor het hart plots snel en onregelmatig kan beginnen kloppen.
Het foutieve SCN5A gen kan zowel van de moeder als van de vader geërfd zijn. Als het afwijkend gen bij één van beide ouders aanwezig is, is er steeds 50% kans dat het afwijkend gen bij de bevruchting doorgegeven wordt aan het kind. Zowel de moeder als de vader geven immers de helft van hun erfelijk materiaal door aan ieder van hun kinderen. Elk van de kinderen heeft dus 50% kans om het afwijkend gen over te erven. Natuurlijk betekent dit ook dat ieder van de kinderen 50% kans heeft om het afwijkend gen niet te erven.
Figuur 2. Overerving van het Brugada syndroom als de moeder een afwijking heeft in het SCN5A gen (aangeduid met een pijltje).
Zoals blijkt uit dit voorbeeld, zijn er bij iedere zwangerschap 4 combinaties mogelijk. Bij 2 van deze 4 mogelijkheden is het afwijkend gen in het erfelijk materiaal van de vrucht aanwezig. Bij iedere zwangerschap is er dus 50 % kans op een kind dat het afwijkend gen draagt.
Een persoon die een afwijking heeft in het SCN5A gen, heeft een verhoogd risico op het ontwikkelen van het Brugada syndroom. De persoon heeft dus een 'voorbeschiktheid' (geen absolute zekerheid maar een verhoogde kans). Welke andere factoren een rol spelen bij het al dan niet tot uiting komen van deze ziekte is nog onbekend.
Niet alle familieleden, die drager zijn van dezelfde genetische fout, zullen dezelfde symptomen vertonen: sommige dragers zullen geen last ondervinden, anderen ontwikkelen dan weer wel symptomen. Ook de factoren die hiervoor verantwoordelijk zijn, kent men nog niet.
Het feit dat nog niet alle genen die betrokken zijn in het Brugada syndroom gekend zijn, betekent dat bij sommige patiënten met deze aandoening geen genetische fout wordt gevonden.
DNA onderzoek
DNA onderzoek kan de diagnose bevestigen door het aantonen van een afwijking in het SCN5A gen.
De voorwaarde om te starten met DNA-onderzoek is dat er DNA van minstens één aangetast familielid beschikbaar is of dat er aangetaste familieleden in leven zijn bij wie bloed kan worden genomen voor DNA-onderzoek. Dit onderzoek gebeurt door één enkele bloedname van ongeveer 10 ml. De kosten voor dit onderzoek worden vergoed door het RIZIV, op het remgeld na. Als via DNA-onderzoek bij deze aangetaste familieleden de afwijking aangetoond wordt is predictief genetisch testen van niet aangetaste verwanten mogelijk (zie verder).
Het resultaat van dit DNA-onderzoek is gekend 9 à 12 maanden na het afnemen van het bloedstaal. In een aantal gevallen blijft dit langdurig onderzoek zonder resultaat: het is in de praktijk zeer arbeidsintensief om het SCN5A gen na te kijken. Het komt dus regelmatig voor dat er in een bepaalde familie met een duidelijke geschiedenis van Brugada syndroom via DNA-onderzoek (nog) geen afwijking in het DNA gevonden wordt. Dit sluit echter niet uit dat het om een erfelijke vorm van Brugada syndroom gaat. De familieleden uit dergelijke families moeten wel degelijk rekening houden met een sterk verhoogd risico op Brugada syndroom en regelmatig cardiologisch onderzoek (zie verder) is aangewezen. In deze families is echter geen predictieve test mogelijk.
Predictief testen
Indien in een familie via DNA-onderzoek de genetische afwijking voor Brugada syndroom opgespoord is bij een aangetast familielid, dan kunnen familieleden die het zelf wensen via een predictieve test te weten komen of ze drager zijn van dezelfde afwijking in hun erfelijk materiaal.
§ Wie drager is, heeft 1 kans op 2 om de afwijking door te geven aan de kinderen. Als een persoon drager is van een genetische afwijking in het SCN5A gen, dan heeft hij een sterk verhoogd risico op deze aandoening.
§ Wie geen drager is, kan de afwijking ook niet doorgeven aan de kinderen. De familieleden die geen drager zijn van een afwijking in het SCN5A gen hebben hetzelfde risico als een willekeurige persoon uit de algemene bevolking om het Brugada syndroom te krijgen (d.i. zeer laag).
De beslissing om een predictieve DNA-test voor het Brugada syndroom te laten uitvoeren is een beslissing die verregaande gevolgen kan hebben. Om mensen voor te bereiden op het testresultaat en hen te begeleiden bij het kiezen van de voor hen meest geschikte preventieve maatregelen in geval van een slecht testresultaat (zie verder), is het van groot belang dat aanvragen voor predictieve tests in de genetische centra verbonden aan de universitaire ziekenhuizen behandeld worden door een multidisciplinair team. Dit team heeft aandacht voor de factoren die een rol kunnen spelen bij de beslissing en voor de behoeften, de vragen en de zorgen die een mogelijke confrontatie met een erfelijke hartziekte kan oproepen.
Preventieve maatregelen
Het is belangrijk dat personen die drager zijn van een afwijking in het SCN5A gen en dus een sterk verhoogd risico hebben om deze aandoening te ontwikkelen zich medisch goed laten volgen. Dit gebeurt best jaarlijks. Bij kinderen wordt doorgaans afgewacht tot na de puberteit.
Wanneer na een predictieve test blijkt dat een persoon geen drager is van een afwijking in het SCN5A gen die in de familie voorkomt dan is een medische opvolging hiervoor niet noodzakelijk : deze persoon heeft dan immers niet meer kans op deze aandoening dan een willekeurige persoon in onze bevolking.
Aan personen die behoren tot een familie waarin een afwijking in het SCN5A gen gevonden werd maar die zelf geen predictieve test laten uitvoeren, wordt aangeraden om zich medisch te laten volgen zoals personen die via een predictieve test drager blijken te zijn van een afwijking in het SCN5A gen.
Tot op heden is het niet steeds mogelijk om in elke familie de genetische afwijking voor het Brugada syndroom op te sporen. Het kan dus gebeuren dat een persoon behoort tot een familie met een duidelijke familiegeschiedenis van het Brugada syndroom maar waarin het erfelijkheidsonderzoek in de familie (nog) geen afwijking heeft kunnen vaststellen. In dit geval wordt aangeraden om zich medisch te laten volgen zoals personen die via een predictieve test drager blijken te zijn van een afwijking in het SCN5A gen.
